Zoekveld

Van huistafel tot website

 De geschiedenis van Maandblad Zuid-Afrika

 

door Bart de Graaff

 

In februari 1904 schreef journalist M.P.C. Valter een uitvoerige brief aan het bestuur van de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (NZAV). Daarin kondigde hij aan een weekblad te willen beginnen dat geheel gewijd zou zijn aan Zuid-Afrika en vroeg hij de NZAV om financiële steun voor zijn onderneming. Valter wees op het feit dat de belangstelling voor Zuid-Afrika in Nederland sinds het eind van de Boerenoorlog in 1902 steeds verder wegkwijnde. En dat was een onverteerbare zaak, juist omdat het 'stamverwante' Zuid-Afrika grote kansen bood voor de Nederlandse handel en emigratie.

 

Het verzoek van Valter had niet op een beter moment kunnen komen. De NZAV maakte zich ernstig zorgen om de verminderende belangstelling voor Zuid-Afrika en de terugloop van haar aantal leden - met ongeveer 20% - sinds 1902. Een eigen Verenigingsorgaan zou een prima manier zijn om zowel de overgebleven leden (nog altijd zo'n 5.000!) aan zich te binden als nieuwe leden te werven. Het uitgeven van een eigen tijdschrift was wel vaak besproken, maar de Vereniging had nooit voldoende geld gehad om verder te gaan dan het uitbrengen van een aantal brochures. Het initiatief van Valter leek echter een goed alternatief voor een 'eigen' blad. Al snel werd dan ook besloten dat de Vereniging diens blad financieel zou gaan ondersteunen. In ruil daarvoor kregen haar leden korting op de abonnementsprijs. Dankzij een ruime financiële bijdrage van de NZAV kon op 17 maart 1904 het eerste nummer van de Zuid-Afrikaansche Post verschijnen.

 

Een succes werd het nooit. Op het hoogtepunt had de Zuid-Afrikaansche Post ongeveer 700 abonnees. De Nederlandse belangstelling voor Zuid-Afrika bleef afnemen nu het land definitief onder Brits beheer was gekomen. En dat merkte ook de NZAV, die in 1908 nog nauwelijks 2.500 leden over had. En daardoor te weinig inkomsten uit contributies om de Zuid-Afrikaansche Post te blijven ondersteunen. Met het wegvallen van de NZAV-inkomsten zag Valter zich dan ook gedwongen de uitgave van het blad in 1909 te staken.

 

Daar was men in NZAV-kring trouwens niet rouwig om. De Vereniging had inmiddels namelijk een geldschieter gevonden in de pas opgerichte Stichting ZASM, die zich ten doel stelde de economische betrekkingen tussen Nederland en Zuid-Afrika waar mogelijk te stimuleren. ZASM had een kapitaal van ongeveer een miljoen gulden - geld dat was overgebleven na de liquidatie van de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij. Ze trad zelf zo min mogelijk op de voorgrond, maar probeerde haar doel te bereiken door middel van frontorganisaties. Waaronder de NZAV, die vanaf 1909 geld ontving van ZASM om de lang gekoesterde droom van een eigen tijdschrift uit te laten komen. In juli 1909 was het zover: toen verscheen het eerste nummer van Hollandsch Zuid-Afrika (HZA), een maandblad dat werd uitgegeven door Stichting ZASM maar gratis werd toegezonden aan leden van de Vereniging. NZAV-voorzitter G.A.A. Middelberg was lyrisch over de verschijning van HZA. Hij droomde van een tijd dat het blad 'op de huistafels van vele duizenden gezinnen' zou liggen.

 

De eerste redacteur van Hollandsch Zuid-Afrika was Johan Visscher, die zowel voor als na de Boerenoorlog als journalist in Zuid-Afrika had gewerkt. Visscher was overtuigd socialist en liet dat ook duidelijk blijken. Zo leidde een diepgewortelde afkeer van Brits kolonialisme en imperialisme bij hem tot groot enthousiasme voor de opkomst van het Afrikaner nationalisme, gedragen door de in 1914 opgerichte Nationale Partij.

 

Desondanks groeide Hollandsch Zuid-Afrika onder redactie van Visscher uit tot een serieus informatief tijdschrift, dat de politieke en economische ontwikkeling van (blank) Zuid-Afrika nauwgezet volgde. Daarnaast werd in korte berichten betrekkelijk veel aandacht besteed aan het wel en wee van de paar duizend Nederlandse immigranten in Zuid-Afrika en kwam ook de (Afrikaner) geschiedenis ruimschoots aan bod. Ten slotte was een prominente plaats weggelegd voor de opkomende Afrikaanse letterkunde, met schrijvers/dichters als Totius, C. Louis Leipoldt en Eugène Marais.

 

Toen bekend werd dat Visscher, door geldnood gedreven, een ongeoorloofde greep in de kas van de NZAV had gedaan, werd hij in 1921 als redacteur opgevolgd door NZAV-voorzitter en theoloog prof. J.W. Pont. En dat was het begin van het eind voor Hollandsch Zuid-Afrika.

 

Pont was een van de eerste Nederlandse 'Boerenvrienden' die inzag dat moderne Afrikaners niet, zoals eind negentiende eeuw nog het geval was geweest, verlegen zaten om Nederlandse bureaucraten en onderwijzers. Integendeel: de meeste Afrikaners waren wars van alles wat naar bevoogding of zelfs maar beïnvloeding vanuit Nederland riekte. Pont onderkende dit en kwam tot de conclusie dat Nederland en het Nederlands belang het meest gebaat waren bij een dienstbare opstelling jegens de Afrikaners. Zo moest worden aanvaard dat het Hooghollands voorgoed was verdrongen door de Afrikaanse taal, moesten Nederlandse immigranten zich aansluiten bij het Afrikaanstalige bevolkingsdeel en moest het Nederlandse bedrijfsleven nauw gaan samenwerken met Afrikaner ondernemingen.

 

In de ogen van Pont hadden de Afrikaners zich voorgoed aan Nederlands' culturele voogdij ontworsteld en een volstrekt eigen identiteit ontwikkeld. Zuid-Afrika mocht daarom niet langer worden gezien als een stukje 'Nederland in den vreemde'.

 

Langzamerhand wist Pont de NZAV-leden te overtuigen van de noodzaak Zuid-Afrika niet langer door een negentiende-eeuwse bril te bekijken. Dat deed hij onder meer door middel van het maandblad. Dat onderging met ingang van 1924 een metamorfose. De afbeelding van Jan van Riebeeck verdween van het schutblad en de titel veranderde van Hollandsch Zuid-Afrika in het minder expansionistisch klinkende Zuid-Afrika.

 

Wel richtte het maandblad zich nog steeds bijna uitsluitend op blank Zuid-Afrika. Zuid-Afrika werd gepresenteerd als een land van Boeren en Britten, waarin zwarten hooguit een figurantenrol speelden. Overigens waren dit voor de Tweede Wereldoorlog gangbare denkbeelden in Nederland. Pas door de ervaringen van de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog, de dekolonisatie van Nederlands-Indië en het toenemen van het aantal niet-blanken in eigen land groeide in Nederland de afkeer van elke vorm van racisme.

 

Na de Tweede Wereldoorlog nam in Nederland het ongemak jegens het rassenbeleid van de Zuid-Afrikaanse regering dan ook toe, zij het geleidelijk. In 1951 werd er nog een cultureel verdrag tussen beide landen gesloten en in 1952 werd in Nederland de vestiging van de eerste blanke nederzetting aan de Kaap driehonderd jaar eerder nog feestelijk meegevierd. Maar het bloedbad van Sharpeville op 21 maart 1960, toen tijdens een demonstratie tegen de pasjeswet 59 mensen door politiekogels werden gedood en vele anderen gewond raakten, was een keerpunt. In de jaren zestig en zeventig werd de afwijzing van de apartheid steeds scherper.

 

De NZAV voelde deze ontwikkeling wel aan, maar bleef vasthouden aan het idee van een ‘kritische dialoog’ en de hoop om het apartheidsregime door stille diplomatie tot andere gedachten te brengen. Daardoor raakte de organisatie in Nederland in een maatschappelijk isolement. Overigens kon de club ook in de ogen van de Zuid-Afrikaanse regering weinig goed doen. Daar vond men de houding van de NZAV juist niet loyaal genoeg. Het maandblad weerspiegelde in deze jaren de tussenpositie die de NZAV innam.

 

Vandaag de dag, ruim twintig jaar na het einde van het apartheidsregime, streeft de redactie ernaar het tijdschrift te laten uitgroeien tot een contactpunt en een forum voor allen die zich in Nederland en België interesseren voor Zuid-Afrika. Naast achtergrondartikelen over actuele ontwikkelingen zijn letterkunde en geschiedenis daarbij nog steeds speerpunten.

 

Ook hebben er institutionele veranderingen plaatsgevonden. Bijna honderd jaar bleef de Stichting ZASM uitgever van eerst HZA en daarna Zuid-Afrika. Toen werd de uitgeversrol overgedragen aan de NZAV en kwam de aloude droom van de vereniging om een 'eigen' tijdschrift te hebben eindelijk uit. En hoewel ZASM nog steeds de belangrijkste geldschieter is, zijn tijdens de afgelopen jaren ook de Vlaams-Zuid-Afrikaanse Cultuurstichting en de Zuid-Afrikaanse Van Ewijck-Stigting toegetreden tot de kring der sponsoren. Omdat veel gedrukte media anno 2012 te kampen hebben met tegenvallende inkomsten uit advertenties en de toenemende concurrentie van online magazines, besteedt ook de redactie veel aandacht aan nieuwe manieren (website, Facebook) om het maandblad onder de aandacht van een zo breed mogelijk publiek te brengen. Het is nooit gelukt om het tijdschrift ‘op de huistafels van vele duizenden gezinnen’ te krijgen. Wellicht lukt het wél om ‘vele duizenden’ bezoekers naar de websites van de NZAV en haar maandblad te krijgen.

 

Het maandblad Zuid-Afrika is inmiddels toe aan de 89e jaargang. Het bereiken van die respectabele ouderdom is grotendeels te danken aan een even markante als illustere reeks redacteuren, die altijd is blijven geloven in het bestaansrecht van het blad. Anno 2012 is het tijdschrift overigens allang méér geworden dan ‘zomaar een tijdschrift’ over Zuid-Afrika. Het is een belangrijk deel van de geschiedenis van de Nederlands - Zuid-Afrikaanse betrekkingen, en een onmisbaar naslagwerk voor ieder die onderzoek doet naar de cultuur en geschiedenis van Zuid-Afrika.