Zoekveld

Thérèse Schwartze

Society-portrettiste en fondsenwerver voor de zaak der Boeren

 

Society-portrettiste Thérèse Schwartze maakte om ‘de zaak der Boeren’ te steunen een reeks schilderijen van Boerengeneraals. Markant is haar portret van Nonnie, de vrouw van Koos de la Rey. Wie was zij? Cora Hollema vertelt meer.

 

Thérèse Schwartze (1851-1918) was tijdens haar leven een gevierd kunstenares die talent en een grote technische vaardigheid koppelde aan een buitengewoon zakelijk inzicht. Ze wist de negentiende-eeuwse vaderlandse beau monde, inclusief het koningshuis, met on-Nederlandse allure in beeld te brengen en verdiende daar miljoenen mee. Ook internationaal vestigde ze haar reputatie met talloze tentoonstellingen en opdrachten in heel Europa en de Verenigde Staten. Ze was dé society-portrettiste van haar tijd.

 

Gratis reclame

Schwartze droeg ‘de zaak der Boeren’ een warm hart toe.  Zuid-Afrikaanse Boeren, grotendeels afstammelingen van Nederlandse kolonisten uit de zeventiende eeuw, verzetten zich rond 1900 tegen de Engelse overheersing. Hun strijd, de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902), ondervond in Nederland veel sympathie en werd breed gedragen: van dichters behorend tot de verlichte beweging der Tachtigers en een eenheid van Nederlandse vrijwilligers die meevocht tegen de Engelsen tot koningin Wilhelmina die in 1900 een pantserkruiser stuurde om president Paul Kruger naar Nederland te halen.

Thérèse Schwartze schilderde uit solidariteit gratis een serie portretten van kopstukken uit de Boerenoorlog, zoals de generaals Piet Joubert, Louis Botha, Christiaan de Wet, Koos de la Rey en Paul Kruger.

Het portret van generaal Joubert schonk zij aan de Commissie ‘Hulde aan de nagedachtenis van wijlen Generaal P.J. Joubert’, met als voorwaarde dat de opbrengst ‘uitsluitend voor de gevangen boeren [zou] worden besteed’.1 Het portret bracht ruim tienduizend gulden op en bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Het portret van Paul Kruger werd in 1925 door de Stichting ZASM voor 1000 gulden gekocht van Georgine Schwartze, de zuster van Thérèse, en hangt tegenwoordig in de vergaderkamer van het Zuid-Afrikahuis aan de Keizersgracht.2

 

Portret van Jacoba Elisabeth (Nonnie) de la Rey-Greeff (1856-1923), 1902. Houtskool, zwart en wit krijt op papier, 73 x 63 cm. Collectie Stichting ZASM, Zuid-Afrikahuis, Amsterdam / Foto: Thijs QuispelHet portret van Nonnie de la Rey

Een bijzonder exemplaar in de serie ‘Boeren-portretten’ door Schwartze is het portret van Jacoba Elisabeth (Nonnie) de la Rey (1856-1923), de vrouw van generaal Koos de la Rey.

Ik zag het portret voor het eerst in 1996 in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam en was er meteen door getroffen. Het greep me aan door de directe, onbevangen aanwezigheid van de geportretteerde, geheel zonder pretenties en pose. Dit in tegenstelling met het overgrote deel van de portretten in opdracht die Schwartze voor veel geld van de elite maakte. Ook die zijn goed getroffen, want schilderen kón ze, maar er zit vaak meer afstand tot de kijker in dan in het portret van Nonnie de la Rey. Of is dat verbeelding? Het verschil is moeilijk te definiëren. Want waar ligt het aan: houding, oogopslag, gezichtsuitdrukking, kleding? In ieder geval stond toen voor mij vast dat het portret van Nonnie de la Rey in mijn boek over Schwartze moest komen. Het staat dus afgebeeld in de Nederlandse uitgave en nu ook weer in de recente Engelstalige editie, naast het portret van generaal Piet Joubert.3 Niet gehinderd door enige nadere kennis hield ik van Nonnies portret.

Pas onlangs stuitte ik op Nonnie de la Rey’s autobiografische verslag van haar ontberingen en omzwervingen tijdens de Boerenoorlog.4 Misschien dat ik nu eindelijk meen te weten wat me in eerste instantie aansprak in haar portret: ze was een vrouw om rekening mee te houden. Bijna twee jaar lang trok Nonnie de la Rey met ossenwagen, zes van haar twaalf kinderen, vee en zwarte knechten door oorlogsgebied. Voortdurend op de vlucht voor de Engelsen met wie haar man, generaal De la Rey, aan het steeds verschuivende front strijd leverde. Ze schetst een nuchter en levendig beeld van hoe ze de alledaagse moeilijkheden het hoofd biedt en moet zien te overleven. ‘… met dien wagen heb ik 19 maanden rond gegaan, terwijl een mens zijn slaapkamer liefheeft, had ik dien wagen ook liefgekregen. In vele nachten van storm en regen hadden mijn Kaffers groote moeite om de zeilen vast te krijgen, opdat de wind die niet van den wagen kon afnemen’.5

Opsluiting in een concentratiekamp van de Engelsen, dat lot ontliep ze door met haar wagen te vluchten op een onzekere tocht, voortdurend het wisselend front ontlopend. ‘… geraas der kanonnen. Ik was toen bezig wat kaarsen voor mij te maken; het water en het vet waren beiden warm en het was hoog tijd om te vluchten. Ik zeide: span in en gaat aan, maar ik moet eerst mijn werk klaarmaken’.6 Ondanks alle gevaren ziet ze af en toe kans voor een poëtisch vergezicht: ‘Er waren grote boomen en de Marico-rivier stroomde prachtig, zoodat het aangenaam was daar te zijn. Ik maakte een oven om brood te bakken en sloeg mijn hut op onder de koele boomen waar het groen en fraai uitzag, maakte van boomen voor mijn paarden een stal en voor de schapen een kraal alsof ik hier lang wilde wonen.’7 Improviseren was dagelijkse routine: ‘Mijn zeep was op en ik begon in nood te raken hoe ik mijn kinderen schoon zou krijgen. Men raadde mij vogelsent [maretak, red.] te verbranden, dan kon men van die asch zeep maken […] de kinderen gingen rond in de bergen om honig te zoeken’.8  

De verhouding met de ‘Kaffers’9 komt slechts sporadisch aan bod. Terloops, in hun rol als knecht in de huishouding:  ‘In vele nachten van storm en regen hadden mijn Kaffers groote moeite om de zeilen vast te krijgen’, ‘…de Kaffers gingen spoedig de koeien melken’. Slechts eenmaal ontsnapt haar, zo komt het mij nu bijna voor, een doorkijkje in de ernstig gepolariseerde relatie tussen blank en zwart: ‘… waar zijn de commandos vroegen zij [Engelse legerofficieren, CH]. Van de commandos weet ik niets. Ik zeide aan hen dat daar de Kaffers onder de troepen zoo slecht en brutaal met de vrouwen en kinderen handelden, ik niets wenschte te maken hebben met Kaffers en Kleurlingen. Ik heb slechts te doen met een blanke natie, dus moet men de kleurlingen van mij weghouden’.10

 

Met de kennis van nu

Nonnie heeft me niet teleurgesteld. Mijn gecharmeerdheid van haar portret is ‘bevestigd’ door het verslag van haar vlucht tijdens de Boerenoorlog. Ze blijkt inderdaad ‘een vrouw om rekening mee te houden’ geweest te zijn. Een daadkrachtig persoon die zich in moeilijke omstandigheden wist te handhaven.

De keerzijde is dat ik haar, nu pas inderdaad, ook zie als vertegenwoordigster van een groep die zich met de bijbel in de hand superieur achtte aan de oorspronkelijke zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Ik moet nog wennen aan deze gedachte als ik naar haar portret kijk.

 

Cora Hollema is auteur van het boek Thérèse Schwartze, Painting for a Living. Dit boek is voor 30 euro (inclusief verzendkosten) te bestellen via corahollema@kpnplanet.nl

1. Martin, W., Thérèse van Duyl-Schwartze 1851-19181. Een Gedenkboek, Scheltema en Holkema’s Boekhandel, Amsterdam 1920, p. 101.
2. Palthe, Titia, ‘Het portret van Paul Kruger’, in: Maandblad Zuid-Afrika 91 (2014) 7/8 (aug./sep.), p. 164.
3. Cora Hollema & Pieternel Kouwenhoven, Thérèse Schwartze, Painting for a Living. Amsterdam 2015, www.thereseschwartze.com.
4. De la Rey, Mevr., Mijne omzwervingen en beproevingen, gedurende den oorlog. Pretoria: Hoeveker & Wormster, 1903.
5. Op. cit. noot 4, p. 29.
6. Idem, p. 37.
7. Idem, p. 36.
8. Idem, p. 36.
9. Destijds aanduiding voor de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika, m.n. leden van de Bantoe- en Zoeloestammen. Tegenwoordig een kwetsend scheldwoord.
10. Op. cit., p. 82.