Recht doen aan Kaaps Afrikaans

Oorspronkelijke auteur: 
Anastasia de Vries
Oorspronkelijke titel: 
Frikkie in mijn kind
Vertaler: 
Ingrid Glorie, Karina van Santen, Rob van der Veer, Martine Vosmaer en Dorien de Vries

 

Eén van de grote uitdagingen voor vertalers is om recht te doen aan taalvarianten. Onlangs bogen vijf ervaren vertalers zich over het verhaal 'Frikkie in my kind' van Anastasia de Vries, geschreven in Kaaps Afrikaans. Of er een overtuigende zelfstandige tekst is ontstaan, mag de lezer zelf beoordelen...

 

Introductie: 
Anastasia de Vries / Foto: Foto24
door Rob van der Veer
 
‘Frikkie in my kind’ is een tekst uit Baie melk en twie sykers van Anastasia de Vries. Twee vrouwen komen elkaar ergens tegen, en de ene vrouw haalt herinneringen op aan Frikkie, een jongen die ze gekend heeft. Wat de vrouw over Frikkie vertelt, dient eigenlijk als aanloop tot wat ze over haar eigen dochter kwijt wil.
De tekst is onlangs vertaald door vijf vertalers. Van de vijf versies heb ik geprobeerd een ‘totaalversie’ te maken, die zich liet lezen als een vertaling die door één vertaler was gemaakt. Het lastigst was daarbij, net als bij het maken van de individuele vertaling, om zo dicht mogelijk bij de toon van het origineel te komen.
 
Frikkie in my kind
Onthou jy nog vir Frikkie, wil die vrou weet.
Kyk, sê sy, sy het nourie dag iets allervreesliks an Frikkie gedink. Onthou jy hom, vir Frikkie van Elfde Laan? Hebdjourait! Einste daai Frikkie wat so kwaai netball kon speel dat hy skoons die Lane se netbalspan afgerig het.
Frikkie met die gestrykte hare en die korte, korte wit skirtjie wat so gewip-wip het as hy die bal hoog en sekuur deur die hoepel skiet.
Jy kon sy frillietjies-pantie sien ...
  
Frikkie in mijn kind 
Weet je nog van Frikkie, vroeg de vrouw.
Het zat namelijk zo, zei ze, ze had laatst ontzettend sterk aan Frikkie moeten denken. Weet je nog wel, Frikkie uit de Elfde Laan? Ja precies! Dezelfde Frikkie die zo goed kon korfballen dat hij zowaar het meisjesteam van de Lanen mocht trainen.
Frikkie met de gestijlde haren en het hele korte rokje dat telkens opwipte als hij de bal hoog en trefzeker in de korf gooide.
Je kon zijn kanten slipje zien...
 
Hoeveel kanten een vertaling kan opgaan, zie je onmiddellijk aan het eerste zinnetje: Onthou jy nog vir Frikkie, wil die vrou weet. Kan jij je Frikkie nog herinneren, vroeg de vrouw. Weet je Frikkie nog, wil de vrouw weten. Weet jij Frikkie nog, wil de vrouw weten. Herinner je je Frikkie nog, wil de vrouw weten. Weet u nog wie Frikkie was, vroeg de vrouw. Het ‘kan’ in de eerste oplossing geeft al meteen aan wat voor mensen er aan het woord zijn, het ‘vroeg’ is eigenlijk onnodig als vertaling van ‘wilde weten’. ‘Herinner je je’ klinkt wat formeel. ‘Weet u’ valt uit de toon, als je ervan uitgaat dat het gesprek door bekenden wordt gevoerd.
De keuze tussen ‘u’ en ‘jij’ moet meteen worden gemaakt, net als de keuze tussen tegenwoordige tijd en verleden tijd. Omdat de tekst afkomstig is uit een reeks rubrieke, zou je kunnen kiezen voor de tegenwoordige tijd. Automatisch vraag je je dan af: hoe deed Carmiggelt dat ook alweer? Of is dat iemand van te lang geleden?
De volgende belangrijke keuze betreft het woord netbal. Netbal is voor Nederlanders een onbekende sport, en de confrontatie met een onbekend begrip, zo vooraan in een tekst, haalt de lezer uit zijn leesritme. In zo’n kort verhaal kun je geen uitvoerige verklaring inlassen, en de meeste Nederlandse vertalers zien noten als iets storends. Je kunt hier dan ook op de naturaliserende toer gaan en kiezen voor ‘basketball’ of ‘korfbal’. Uiteindelijk hebben de meesten voor ‘korfbal’ gekozen, omdat die sport beter paste in de wereld waarin het verhaal zich afspeelde.
Er stonden heel wat woorden in de tekst die niet snel in woordenboeken te vinden zijn.
Hebdjourait (nou en of), klôgoed (kinderen), dreunsing (scanderen, zingzeggen), yttie koppe yt (van jewelste, dat het een aard heeft), sturvy (we gokken op ‘bekakt, verwaand’), twaisfai (twisten, strijden), brêk (variant van het Engelse brag, snoeven). Van sommige is de betekenis te herleiden, sommige herken je als variant, sommige vraag je aan de schrijver. In dit geval konden we via Facebook tijdens onze gezamelijke bespreking de schrijfster raadplegen, in Zuid-Afrika, nota bene.
Haai raai, sê sy, en ga mens het snaaks gekry oor dié mannetjiesmens in meisieklere nie.  Het duurt even voordat je doorhebt wat haai raai wil zeggen.  Haai is ‘hé’, raai wijst naar het Engelse guess what. De vertaalvarianten  van Haai raai, sê sy waren: Moejjenagaan, zegt ze. Nee vrouw, zegt ze. En geloof het of niet, zegt ze. Nee, mens, zei ze. En het mooiste was, zei ze. Dit zijn allemaal verdedigbare oplossingen, passend in de toon die elk voor zich heeft gekozen.
Hieronder dan de vertaling van ‘Frikkie in my kind’, een mooie kennismaking met het werk van Anastasia de Vries. 
 
 
Vertaling: 

Frikkie in mijn kind

Weet je nog wel van Frikkie, vroeg de vrouw,
Het zat namelijk zo, zei ze, ze had laatst ontzettend sterk aan Frikkie moeten denken. Weet je nog wel, Frikkie uit de Elfde Laan? Ja precies! Dezelfde Frikkie die zo goed kon korfballen dat hij zowaar het meisjesteam van de Lanen mocht trainen.

Frikkie met de gestijlde haren en het hele korte rokje dat telkens opwipte als hij de bal in die hoge korf gooide.

Je kon zijn kanten slipje zien...

Het korfbalteam van de Lanen won altijd, zei ze. Frik-kie, Frik-kie, riepen de jonkies van de Lanen in koor als hij op zaterdagmiddag samen met zijn ploeg het veld op draafde. Klein en fijn mocht Frikkie zijn, maar korfballen  kon hij als de beste!

Zelfs dat kakteam uit Stonehill (een van de ‘beterder’ buurten in Ravensmead) met d’r aanstellerige maniertjes kon daar niet tegen opboksen.

En moet je nagaan, zei ze, geen mens die raar deed over dat joch in meisjeskleren. Frikkie was, nou ja, Frikkie, een van de kinderen uit de Laan, klein en fijn, maar hij had wel ballen, die Frikkie.

Elke doordeweekse avond dat hij zijn meiden in de schemering liet ronddraven om het zandveldje tussen de Elfde en de Tiende Laan, werd er behoorlijk de sokken in gezet.

Iedereen wilde net zo fit zijn als Frikkie, zei ze.

Nee, zei jij, iedereen wilde net als Frikkie zélf zíjn.

Of net als zijn moeder, zei ze. En nou had ze onlangs zo sterk aan Frikkie gedacht dat ze de schroeilucht rook van de olie die zijn ma in zijn haren wreef voordat ze er met de stijlkam doorheen ging.

Ze stond er altijd, aan de rand van het veld, zijn moeder, als een soort schildwacht, zo trots dat haar mond ervan overliep.

‘Dat is mijn kind daar,’ vertelde ze aan jan en alleman. De mensen lachten met haar mee, wezen haar aan en zeiden, ja, Frikkie is echt haar kind. En Frikkies moeder had zelf, met haar eigen handen, die drie strookjes kant aan zijn slipje gezet. Ze had ballen, die moeder van Frikkie.

‘Frik-man! Frik-man,’ gilde ze dan, op en neer springend wanneer hij had gescoord. Frik-kie, Frik-kie, zong ze met de anderen mee als hij positie koos, zijn hoofd ophief, scherp mikte en dan hoog, hoog oprees in de lucht.... Zijn rokje wipte erbij omhoog, je kon zijn kanten slipje zien. De Lanen begonnen te juichen.

In de rust haalde zijn moeder een hagelwitte handdoekje uit haar breimandje en depte daarmee het zweet van zijn gezicht en zijn nek. Daarna streek ze met haar vlakke hand zijn haartjes plat, kneep een paar strengetjes tussen wijsvinger en duim en legde ze in een krul over zijn voorhoofd, drukte Frikkie tegen haar boezem en duwde hem dan zachtjes, zonder iets te zeggen, terug het veld op.

Ze hield oprecht van haar kind, die moeder van Frikkie, zei de vrouw die laatst ontzettend sterk aan Frikkie had gedacht. Maar ze had eromheen gedraaid, zei ze, ze had je eigenlijk willen vertellen over de Frikkie in háár dochter.

Hoe bedoel je dat nou, vroeg jij.

Nou, zei ze, zij, haar beste vriend en haar mooie dochter reden laatst op hun gemak van het vliegveld naar Johannesburg. En zij zat zich te verwonderen over het lachje van haar kind waarmee ze tussen neus en lippen zei: zeg hoor eens, ik moet iets bekennen, ik ben van de verkeerde kant.

‘De verkeerde kant? Het was alsof ik een emmer koud water over me heen kreeg. En ik zat daar naar lucht te happen en keek naar de grote ogen van mijn kind in het achteruitkijkspiegeltje. Er komt maar geen geluid uit mijn keel. Mam? Mammie? zegt ze, maar ik kon gewoon geen woord uitbrengen. Het enige wat ik hoor is “verkeerde kant. Mijn kind is van de verkeerde kant.”’

Hoezo, vroeg jij, gaat ze soms de verkeerde kant op?

Nee, nee, zei ze, niet het slechte pád, van de verkeerde kánt. ‘Lesbisch. Daar, nou heb ik het gezegd. Niet anders of verkeerd. Lesbisch. En ze is mooi en trots en heel.... hoe zeg je dat? Zo... zo een meisje uit één stuk.’

Hemeltje, zei jij. Hemeltje! ‘Wat ga je nou doen? Menslief, toch. Wat zullen de mensen wel niet zeggen? Je weet wat de Bijbel over dat soort dingen zegt! Herejee, ik zou niet graag in je schoenen willen staan.’

Jawel, zei zij toen, ze wist wat de mensen gingen zeggen en ze wist wat er in de Bijbel stond. Maar zij had haar angst om haar kind in één klap van zich afgeworpen. Al had ze het allerliefst haar lendenen omgord, het zwaard opgenomen, haar kind ergens in een dichtgetimmerde grot verborgen waar geen mensentong haar aan flarden kon scheuren, al had ze zich het allerliefst als een zwarte sluier over haar heen gedrapeerd en wierook gebrand om alle ellende af te wenden.

‘Mijn kind. Ze was zestien, moet u weten, toen wist ze het al. En hoeveel pijn het kan doen om als eerlijk mens te leven. “Ik denk dat ik anders ben,” had ze aan iedereen verteld die het maar horen wou. Sommigen hadden gelachen, kindergedoe, hadden ze gezegd, anderen dat ik haar met bidden weer normaal moest zien te krijgen.’

Maar zij had toen al in de ogen van haar dochter gekeken, die grote glanzende ogen, als natte kiezels, en ze had geweten: dit is míjn bloed.

Dus blijf van mijn kind af, wereld, blijf van mijn kind...

Nou was haar dochter volwassen, ergens in de twintig, en glansden haar grote ogen als kiezels die zijn schoongespoeld in een snel stromende beek. En ze zei, ze moest iets opbiechten, ze was lesbisch. Bescherm mijn kind, Heer, bescherm haar tegen de kwaadsprekerij...

En in de stilte hoorde ze toen haar vriend, ze hoorde het hem zeggen: ‘AJ, biechten doen we alleen in geval van zonde.’ En in zijn mond klonk de naam van haar kind als een gebed, en ze draaide zich naar haar kind toe, ze keek haar dochter recht aan, keek in de ogen die glansden als natte kiezels. En ze zág haar kind, ze zag haar zoals ze was.

En toen drukte ze haar wijsvinger op de borst van haar kind en zei: ‘Jíj. Jij bent míjn kind.’