Zoekveld

Een verdeeld huis

door Bas Kromhout
 
In 1984 werd Keizersgracht 141 overvallen door antiapartheidsactivisten. Ze gooiden niet alleen boeken in het water, maar namen ook ‘belastende’ brieven en andere paperassen van de NZAV mee. Na dertig jaar zijn de documenten weer boven water. Een reconstructie.
 
Een handgeschreven briefje van ARP-politicus W.F. de Gaay Fortman; een verslag van een audiëntie bij VVD-Kamerlid Frits Bolkestein; correspondentie met een Zuid-Afrikaans zangkoor. Het is zomaar een kleine greep uit de ongeveer honderd documenten van de NZAV die ik begin dit jaar bij toeval aantref in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. De stukken maken deel uit van de collectie van het NIZA (Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika), die de papieren erfenis bevat van de Anti-Apartheidsbeweging Nederland (AABN) en het Komitee Zuidelijk Afrika (KZA). Hoe zijn de documenten – vooral kopieën en een enkel origineel – op deze plek terechtgekomen?
 
Afzender anoniem
Op het eerste gezicht zie ik een paar aanwijzingen die tot de oplossing van dit raadsel kunnen leiden. In sommige brieven heeft iemand met een pen passages aangestreept. Diezelfde persoon heeft op aparte velletjes aantekeningen gemaakt. Op één daarvan staat zelfs een heel opstel, dat woordelijk overeenkomt met een artikel uit Amandla, het tijdschrift van het KZA en de Werkgroep Kairos, van april 1984.
Dat artikel begint zo: ‘Op 19 januari voerden Amsterdamse krakers aktie rond het pand Keizersgracht 141 in Amsterdam, zetel van onder meer de NZAV […] en de ZASM […]’. De actievoerders waren ‘s middags het gebouw binnengedrongen, hadden een ravage aangericht en armen vol boeken in de gracht gekieperd. De auteur maakt gewag van documenten die de krakers hadden ‘aangetroffen’. De inhoud zou aantonen dat de NZAV propaganda maakte voor het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime.
De schrijver van het artikel beriep zich op een eerdere publicatie in het krakersblad Bluf!, dat enkele gestolen documenten had afgedrukt. In werkelijkheid had hij ze zelf in zijn bezit. Dus is mijn volgende vraag: hoe kwam hij eraan? De enige die hierop een antwoord kan geven, is de auteur zelf. Boven het artikel staat de naam ‘Wilfried Fennema’, maar die blijkt onbekend bij de conservator van de NIZA-collectie. De notulen van de Amandla-redactie geven opheldering. In de planning voor het aprilnummer van 1984 staat achter ‘Dokumenten NZAV’ de naam ‘Sietse’.
Ik vraag Sietse Bosgra, destijds voorzitter van het KZA, per e-mail hoe hij aan de documenten was gekomen. ‘U stelt me vragen waar ik geen antwoord op heb,’ reageert hij. ‘Ik herinner me niets van die documenten en van artikelen die ik naar aanleiding daarvan heb geschreven. Mijn geheugen is een van de problemen die ik ondervind van het ouder worden, ik ben nu 78 jaar.’ Bosgra heeft wel een vermoeden. ‘Het zou me niet verbazen als iemand anoniem de stukken bij ons in de bus heeft gegooid, mogelijk na een telefonisch overleg waarbij de afzender zijn naam niet noemde.’
 
De overval
Als Bosgra’s vermoeden klopt, dan waren het hoogstwaarschijnlijk de krakers zelf die de gestolen papieren aan de redactie van Amandla hebben doorgespeeld. Hun precieze identiteit is na dertig jaar nog altijd niet achterhaald. Alleen politicoloog Roeland Muskens is het gelukt om één van de actievoerders te spreken voor zijn onlangs verschenen proefschrift Aan de goede kant. Biografie van de Nederlandse anti-apartheidsbeweging 1960-1990. Volgens Muskens moeten de initiatiefnemers worden gezocht in de kringen van de latere RARA. Deze mensen hebben echter een muur van eeuwig stilzwijgen om zich heen gebouwd.
De leiders van de actie belegden een vergadering in een Amsterdams kraakpand om deelnemers te werven. Daar was ook Muskens’ bron aanwezig. ‘Het hele plan was al uitgedacht,’ vertelt zij in het proefschrift. ‘De expliciete bedoeling was om de, soms oude, boeken de gracht in te gooien. Dat stond me tegen. Boeken verniel je niet, dan heb je geen gevoel voor geschiedenis. Op mijn bezwaren ging niemand in. Ik ben uiteindelijk wel naar de actie gegaan, maar bleef aan de overkant van de gracht staan en keek toe. Er waren ongeveer vijftig mensen op de stoep en misschien een stuk of tien mensen drongen het pand binnen. En de boeken verdwenen in de gracht. Ik zag ze drijven. Zo treurig.’
Op het moment van de overval waren in het pand drie mensen aanwezig: de conciërge, de secretaresse van de NZAV en een bezoekster van de bibliotheek. Nadat de krakers zich met een smoes toegang hadden verschaft en de telefoonlijn doorgesneden, konden zij weinig anders dan toekijken. Secretaresse Joke de Waard probeerde nog wel de inhoud van de kluis veilig te stellen, maar werd ruw weggetrokken en liep een gekneusde rib op. Mevrouw Seton, de conciërge, zocht de bescherming van haar eigen appartement en haar goedige, maar gevaarlijk ogende herdershond.
In ongeveer twintig minuten tijd werden door de actievoerders kastenvol boeken en archiefmateriaal omvergehaald, door elkaar gegooid en met verf besmeurd. Ook de catalogus moest eraan geloven; de kaartjes dwarrelden over straat. Direct na binnenkomst begonnen een paar krakers boeken uit de bibliotheek naar de gracht te dragen. Ironisch genoeg behoorden veel titels die in het water belandden tot de collectie van door de Zuid-Afrikaanse overheid verboden boeken. Van deze werken hadden medewerkers van antiapartheidsorganisaties voorheen vaak dankbaar gebruikgemaakt.
 
Rijkgeschakeerd
Toch meenden de actievoerders dat de NZAV een verlengstuk van Pretoria was. Ook Bosgra was hiervan overtuigd. In Amandla schreef hij: ‘In de […] wereld van pro-apartheidsorganisaties in Nederland neemt de NZAV een centrale plaats in’. Het pand aan de Keizersgracht typeerde hij als ‘een huis vol apartheid’. Bosgra illustreerde dit met citaten uit de gestolen documenten die hij van de krakers had gekregen.
Zo haalde hij NZAV-voorzitter Frits de Waard aan, die in 1982 in zijn afscheidsrede had gezegd dat de ‘negatieve beeldvorming’ die de antiapartheidsbeweging ‘met geld van de Nederlandse belastingbetaler […] en het ANC’ in stand hield, moest worden ‘geneutraliseerd’. Volgens De Waard droeg de NZAV bij aan verbetering van het Zuid-Afrikaans imago door middel van haar uitwisselingsprogramma voor studenten en het Maandblad Zuid-Afrika. Voor Bosgra waren deze uitlatingen het bewijs dat de vereniging als spreekbuis fungeerde voor het apartheidsbewind. Maar hij citeerde onvolledig. In De Waards rede staat ook te lezen dat het ‘de nodige stuurmanskunst’ vereiste om de banden aan te houden, ‘zonder alles te verdedigen wat zich in de Zuid-Afrikaanse arena afspeelt.’
Als ikzelf het materiaal bestudeer, krijg ik een ander beeld van de NZAV dan Bosgra in zijn artikel heeft geschetst. Niet zwart-wit, maar rijkgeschakeerd. Het valt mij op dat binnen de vereniging uiteenlopende meningen bestonden over hoe om te gaan met de kwestie apartheid. Zo waren sommige leden er niet van gediend als de NZAV politiek naar rechts leek te buigen. Toen begin 1981 bij het Maandblad een krant van de Federatie Nederland Zuid-Afrika (FENEZA) werd gevoegd, was een aantal leden daar ‘niet erg gelukkig’ mee, zo valt te lezen in een brief van de secretaresse. Weer anderen klaagden juist dat het maandblad te kritisch over apartheid schreef.
Eén persoon stuurde een brief vol kritiek op een rede die VVD-politicus en burgemeester van Utrecht Henk Vonhoff in 1980 had gehouden voor de NZAV-afdeling in zijn stad. ‘[Vonhoff] eiste een onmiddellijke opheffing der apartheid […] en sprak op uitermate onwelwillende wijze over het huidige regime aldaar,’ aldus de verontwaardigde afzender. Bosgra citeerde deze passage in Amandla en concludeerde dat het voltallige ledenbestand van de NZAV woedend was over het optreden van Vonhoff.
Maar opnieuw gebruikte hij de bronnen selectief. Uit de brief is niet op te maken of de andere aanwezigen de kritiek van de afzender deelden. Wel klaagt hij dat hij op de avond zelf niet tegen Vonhoffs opmerkingen had kunnen protesteren, ‘daar de discussie wegens gebrek aan tijd door de voorzitter der vergadering werd gesloten’. Dit laatste vermeldde Bosgra niet in zijn artikel. Evenmin stond hij erbij stil dat de Utrechtse afdeling in de persoon van Vonhoff een spreker had uitgenodigd die bestuurslid was geweest van het Comité Zuid-Afrika en wiens antiapartheidsstandpunt dus vooraf bij alle betrokkenen bekend was. Dat Vonhoff niettemin werd gevraagd een zaal vol NZAV’ers toe te spreken, zegt misschien meer over de vereniging dan de protesten van een enkel lid.
 
Kritische dialoog
Als de geroofde documenten – waarvan de representativiteit vanwege de toevallige samenstelling te wensen overlaat – iets laten zien, dan is het dat de Zuid-Afrikaanse rassenpolitiek binnen de NZAV zorgde voor een scheiding der geesten. Het pand aan de Keizersgracht was geen ‘huis vol apartheid’, zoals Bosgra betoogde, maar eerder een verdeeld huis. De kwestie legde politieke tegenstellingen bloot in een vereniging, die zich in principe alleen met cultuur wilde bezighouden. Belangstelling voor het gedeelde erfgoed van Nederland en Zuid-Afrika was wat de leden verbond, niet een of ander politiek programma. Maar de onmenselijkheid van de apartheid, en de toegenomen bewustwording daarvan bij het Nederlandse publiek, dwongen de NZAV tot stelling nemen.
Gerrit Schutte, die in 1982 De Waard als voorzitter opvolgde, was zich hiervan bewust. Hij droeg de boodschap uit dat de vereniging de apartheid afwees, maar dat het verbreken van de culturele banden niet zou bijdragen aan een verbetering van de situatie. In plaats daarvan was hij voorstander van een ‘kritische dialoog’. ‘Voor zover je vanuit Nederland iets kon veranderen aan de toestand in Zuid-Afrika, moest dat geschieden door middel van praten’, vertelt Schutte me als ik hem bel. ‘Natuurlijk was onze invloed niet erg groot. Maar wat we konden doen, deden we. Zo zorgden we ervoor dat aan de uitwisselingsprogramma’s ook zwarte en gekleurde studenten deelnamen. Daar veranderden we de wereld niet mee, maar ons volledig terugtrekken had sowieso niets opgelost.’ 
Natuurlijk probeerden de Zuid-Afrikaanse autoriteiten van hun kant invloed uit te oefenen op de NZAV.  Volgens Schutte gaf het bestuur hun daar geen kans toe. ‘Ik herinner me dat de cultureel attaché in Den Haag graag bestuurslid wilde worden. Dat hebben we geweigerd. En ik ben als redacteur van het Maandblad wel eens bij de ambassadeur op het matje geroepen vanwege een of ander kritisch stuk. Dan legde ik uit dat de redactie onafhankelijk was.’ 
Maar sommige leden waren het niet eens met de gematigd kritische lijn van het bestuur. Toen Schutte eens in het Nederlands Dagblad opmerkte dat sommige verenigingsleden actief waren in antiapartheidsorganisaties, leverde dat prompt een opzegging op van een lid dat vond dat mensen die ‘het Afrikanervolk ronduit vijandig gezind’ waren niet in de NZAV thuishoorden. De opzegger was secretaris van de Nederlands-Zuidafrikaanse Werkgemeenschap, een kleine club mensen die zich in 1963 van de NZAV hadden afgescheiden omdat zij het, anders dan de vereniging, wel voor het apartheidsbewind wilden opnemen.
 
Vijandbeeld
In de ogen van antiapartheidsactivisten was de term ‘kritische dialoog’ slechts camouflage. Je kon alleen tegen apartheid zijn, zo redeneerden zij, wanneer je elke band met Zuid-Afrika verbrak. Dan stond je aan de goede kant. Deed je dat niet, dan was je automatisch vóór apartheid en dus ‘fout’. Dat de NZAV een culturele organisatie was, deed er volgens de activisten niet toe. Naar hun opvattingen was alles politiek. Het ijkpunt was de Duitse bezetting van 1940-1945, die van ieder mens een soortgelijke keuze zonder compromissen zou hebben gevraagd.
De antiapartheidsbeweging beriep zich bovendien op het ANC, dat namens de onderdrukte bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika had opgeroepen tot een internationale culturele boycot. Nadat de Nederlandse regering hieraan in 1981 gehoor had gegeven door het Cultureel Akkoord met Zuid-Afrika op te zeggen, had de NZAV geen enkel excuus meer. De vereniging kon alleen nog bewijzen dat zij niet ‘fout’ was door zichzelf op te heffen. Maar aan die eis wilde zij niet voldoen.
Dat moest de NZAV bezuren. Al lang voor de overval op 19 januari 1984 was het pand aan de Keizersgracht meermaals beklad en bezet door actievoerders. Regelmatig waren er valse bommeldingen. Deze acties, die waren ingegeven door een ongenuanceerd vijandbeeld, werden door sommigen binnen de vereniging beantwoord met een al even ongenuanceerde vijandigheid tegenover de gehele antiapartheidsbeweging. In verschillende documenten zijn uitingen hiervan te vinden. Zo klaagde toenmalig voorzitter De Waard op 18 juli 1982 bij de minister van Ontwikkelingssamenwerking over de ‘volksmisleiding’ waar antiapartheidsorganisaties zich schuldig aan zouden maken. Uitlatingen zoals deze werden geciteerd in Bluf! en Amandla, met als achterliggende boodschap: ‘Wie tegen ons is, is voor apartheid’. En zo was de cirkel rond.
Muskens concludeert in zijn proefschrift dat de publicaties nuchter beschouwd weinig opzienbarends bevatten. Hij schrijft: ‘Erg veel onthullends leverden de documenten niet op, of het moest zijn dat de NZAV tot 1979 een jaarlijkse subsidie ontving van de Zuid-Afrikaanse ambassade. Daar was echter weinig geheims aan, omdat in dat jaar het Cultureel Akkoord tussen Zuid-Afrika en Nederland nog van kracht was en in het kader daarvan Nederland ieder jaar een subsidie verstrekte aan het Cultuur Historisch Centrum in Pretoria, en Zuid-Afrika dus op haar beurt aan het [met de NZAV verbonden] Suid-Afrikaanse Instituut in Amsterdam. Iets pregnanter was dat enkele Nederlandse bedrijven geld bleken te doneren aan het instituut.’ Enkele documenten laten zien dat de NZAV steun kreeg van onder andere Philips, DAF, NationaleNederlanden en KLM, en in onderhandeling was met Shell.
 
‘Een verkeerd signaal’
De actie aan de Keizersgracht bracht een enorme schade toe aan de bibliotheek en het historische archief. Gelukkig wisten omwonenden veel boeken uit de gracht te vissen en konden die dankzij een speciale droogvriesmethode grotendeels worden gered. Door spontane schenkingen werden veel lege plekken in de bibliotheek weer gevuld. De grootste uitdaging was alles opnieuw in te delen en te catalogiseren. Dit monnikenwerk is pas kortgeleden helemaal afgerond.
De overval leverde de NZAV veel positieve aandacht in de media op. ‘Een betere reclame hebben we nooit gehad,’ zegt Schutte. Sommige dagbladen spraken van een ‘fascistische’ daad en trokken de vergelijking met de boekverbrandingen van de nazi’s. Schrijver en NZAV-lid Adriaan van Dis schreef in NRC Handelsblad een bewogen stuk tegen de vernietiging van literair erfgoed. Collega-schrijver Boudewijn Büch vond de actievoerders vooral ‘dom’, omdat zij hun eigen glazen ingooiden.
Een aantal van hen reageerde op de kritiek in een anoniem interview met de Volkskrant. ‘De democratie schiet tekort als een instituut als de NZAV wordt getolereerd,’ zo verdedigden zij het gebruik van geweld. Boeken waren bovendien geen levende wezens. ‘Wij maken altijd zeer consciëntieus de afweging tussen doel en middelen. We hebben van tevoren geregeld dat een hond in dat pand [de herdershond van mevrouw Seton – red.] geen haar gekrenkt zou worden.’
De krakers voelden zich verraden door de officiële antiapartheidsorganisaties, die de actie veroordeelden. De AABN verklaarde bij monde van voorzitter Conny Braam dat de NZAV weliswaar ‘een gevaarlijke club’ was, maar dat het verkeerd was om ‘je woede te richten tegen boeken’. De christelijke Werkgroep Kairos distantieerde zich van de overval in een kadertje bij Bosgra’s artikel in Amandla. De naam van het KZA ontbrak hier. Via de mail laat Bosgra mij weten: ‘We waren niet enthousiast over de actie. Boeken vernietigen is een verkeerd signaal.’ Maar klaarblijkelijk was de verleiding om gestolen documenten aan te nemen en die te gebruiken om de NZAV als pro-apartheidsorganisatie te ‘ontmaskeren’ simpelweg te groot geweest. 
 
 
Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in Maandblad Zuid-Afrika, jrg. 91, nr. 8, juli/augustus 2014, p. 155-157.