Zoekveld

'Dat neemt niet weg dat ik terugverlang...'

 

Op donderdag 20 maart 2014 is de Zuid-Afrikaanse schrijver Hennie Aucamp overleden. Hij is 80 jaar geworden. Om deze vrije geest, deze grote stilist en deze altijd belangstellende vriend en raadgever van velen te gedenken, publiceren we hier nogmaals één van de laatste interviews met Hennie Aucamp. Het gesprek vond plaats in februari 2013, naar aanleiding van twee nieuwe boeken die toen net waren uitgekomen: Koffer in Berlyn, een verzameling essays over cabaret, en Mits dese wil ek vir jou sê, een brievenboek. Voor Aucamp vormden ze één geheel met het in 2011 gepubliceerde Lendetaal, een bundel opstellen over homo-erotiek in kunst en literatuur. Samen, zei hij toen, vormen ze ‘de afsluiting van een leven’.

 

Hennie Aucamp (1934) heeft wel eens het verwijt gekregen dat hij zich als homoseksuele schrijver niet strijdbaar genoeg zou hebben opgesteld. Het was met name de jonggestorven schrijver Koos Prinsloo (1957-1994) die Aucamp ervan beschuldigde dat hij méér had moeten doen om homoseksualiteit bespreekbaar te maken en zo de weg te effenen voor jonge homoseksuele schrijvers die na hem kwamen. Het is kritiek die Aucamp nog steeds verbaast, want zelf heeft hij als beginnende schrijver in de jaren vijftig en zestig nooit noemenswaardige tegenstand ervaren. ‘Ik heb het klimaat altijd heel gunstig gevonden’, zegt hij. ‘Misschien komt dat doordat de seksuele toespelingen in mijn werk nooit zo expliciet waren. Zodra een schrijver de erotiek in zijn werk té prominent maakt, schiet hij zichzelf in de voet. Dat soort werk wordt heel snel vergeten. Homoseksualiteit is deel van het totale mens-zijn en als je je als een aparte specie opstelt, dan vervreemd je jezelf van je medemens. Mijn werk week dan ook niet af van de hoofdstroom in de literatuur, maar maakte daar deel van uit.’

 

Oude beschaving

Deze gematigde opstelling is typerend voor Aucamp, een man met een zachte stem en een hoogst verfijnde dictie. Hij groeide op op de plaas Rust-mijn-ziel in de Stormberge. In 1952 ging hij studeren in Stellenbosch. Hier kwam hij in aanraking met kunstenaars als de schrijfster MER (1875-1975), de schrijver Eitemal (1901-1984) en de invloedrijke socioloog, schrijver en muziek- en toneelkenner Con de Villiers (1894-1978). ‘Ik heb het geluk gehad dat ik al deze bijzondere mensen persoonlijk heb leren kennen’, vertelt Aucamp. ‘Stellenbosch was toen een ander dorp. Er bestond een heerlijke wisselwerking tussen docent en student. Dat is voorgoed verleden tijd. Maar ik heb het voordeel gehad van die soort beschaving. En ik was waarschijnlijk vruchtbare aarde, want ik kwam van het platteland, ik had over al die mensen gelezen en ik wilde ze leren kennen.’ Bezorgdheid over de teloorgang van dié beschaving is een thema dat volgens Aucamp in veel brieven uit Mits dese wil ek vir jou sê is terug te vinden. ‘Het was een prachtige oude cultuur, die de meeste mensen vandaag niet meer kennen. Old hat, zullen sommigen zeggen. Maar mensen hebben daar geen weet meer van. Hopelijk zullen bepaalde staaltjes folklore dankzij dit boek toch bewaard blijven.’

 

Samenstelling

Een groot deel van Hennie Aucamps brieven wordt bewaard bij het Dokumentesentrum van de universiteitsbibliotheek in Stellenbosch. Mits dese wil ek vir jou sê is samengesteld door twee medewerksters van het Dokumentesentrum, Lynn Fourie en Marina Brink, in samenwerking met uitgeefster Petrovna Metelerkamp. Metelerkamp heeft in 2000 de kleine onafhankelijke uitgeverij Hemel & See opgericht, die tot doel heeft om ‘boeke van besondere gehalte’ te publiceren. Eerder verschenen hier onder meer Metelerkamps eigen biografie over Ingrid Jonker en brievenboeken van de broers N.P. van Wyk Louw en W.E.G. Louw en van Uys Krige, Peter Blum en Audrey Blignault.

Natuurlijk valt er op de samenstelling van zo’n brievenboek altijd wel wat af te dingen, zegt Aucamp, maar over het algemeen is hij tevreden over de keuze die de dames hebben gemaakt. ‘Zonder hen was dit project niet mogelijk geweest. Ze zijn op zoek gegaan naar brieven die lekker lezen. Dan kom je vanzelf bij brieven die ook inhoudelijk interessant zijn. Want als iets je echt aan het hart gaat, dan schrijf je daar ook gepassioneerd over.’

In het verleden heeft Aucamp ook al drie bundels met dagboekaantekeningen gepubliceerd. Hij houdt al sinds zijn veertiende een dagboek bij. Hij ziet duidelijke overeenkomsten tussen het schrijven van brieven en het bijhouden van een dagboek. Een verschil is echter de gerichtheid op de ontvanger: ‘Met dagboeken schrijf je maar voort, terwijl je bij een brief een concrete lezer voor ogen hebt. Brieven en dagboeken lopen grotendeels parallel. Maar soms, als ik in het buitenland was, had ik geen tijd om mijn dagboek bij te houden. Dan vroeg ik achteraf brieven terug zodat ik op basis daarvan alsnog mijn dagboek kon aanvullen.’

Aanvankelijk had Aucamp geen plannen om zijn brieven in boekvorm te laten verschijnen. Het was de dichter Johann de Lange die hem hiertoe heeft overgehaald en die in de jaren negentig al veel werk heeft verricht om de brieven op te sporen en te verzamelen. ‘Zonder zijn aandeel zou deze bundel ook nooit verschenen zijn. Ik denk echter dat er in de jaren daarna nog veel betere brieven bij gekomen zijn. Na mijn pensioen kreeg ik meer tijd om te schrijven. En omdat de post hier in Zuid-Afrika zo onbetrouwbaar is, begon ik automatisch van elke brief waarvan ik zelf dacht dat die redelijk geslaagd was, een kopie te maken.’

 

Hoge eisen

Aucamps gezicht betrekt weer. ‘Ik was altijd al een cultuurpessimist’, zegt hij, ‘en nu ben ik dat in nog hevigere mate. Als je in dit land woont, zie je slechts een neerwaartse beweging. Populaire schrijvers krijgen steeds meer aandacht, de bellettrie krijgt geen aandacht meer.’

Toegegeven, er zijn ook positieve ontwikkelingen. Zo zijn er volgens de laatste volkstelling in de afgelopen tien jaar een miljoen Afrikaanssprekenden bijgekomen, met name in de bruine en zwarte gemeenschap. Dit betekent echter ook dat het Afrikaans als taal verandert. ‘Ik aanvaard dat het gebeurt’, zucht hij. ‘Maar dat neemt niet weg dat ik terugverlang naar het Afrikaans dat ik gekend heb.’ Ook de opkomst van bruine schrijvers vervult hem niet louter met vreugde. ‘Afgezien van Ronelda Kamfer misschien, is er niet één die ik als bijzonder goed beschouw, zoals Adam Small op zijn beste. Ik zou graag sterkere bruine stemmen willen horen.’

Hij verontschuldigt zich. ‘Als ik kritisch klink, dan komt dat doordat ik in mijn jonge jaren al die bijzondere mensen gekend heb, die me aangeraden hebben om mijn vroegste werk opzij te schuiven. Tegenwoordig is het moeilijk om niet gepubliceerd te worden. Er is altijd wel, op een website of elders, een insmokkelkans. Ik ben nog opgevoed met het idee dat je een bepaalde norm moet hebben waarvolgens je goedkeurt of afkeurt. ’n Ding deug of hy deug nie.’

 

‘Klein, maar meelevend’

In het verleden was cabaret een belangrijk wapen in de strijd tegen moreel verval. Aucamp is een groot kenner van de cabarettraditie van Weimar. Hij heeft Marlene Dietrich nog zien optreden, en hij bewaart goede herinneringen aan shows van Nederlandse vedettes als Jenny Arean en Liesbeth List. Zelf schreef hij rond de jaren tachtig enkele spraakmakende cabaretprogramma’s, zoals Die lewe is ´n grenshotel (1979), Met permissie gesê (1980) en Slegs vir almal (1985). De teksten werden ook in boekvorm uitgegeven. Zijn werk werd onder meer uitgevoerd door Coenie de Villiers, Nataniël, Laurika Rauch, Elzabé Zietsman en Amanda Strydom. Vooral met de laatste heeft Aucamp een bijzondere band. ‘Als ik begin te schrijven, dan is het alsof ik Amanda hoor zingen. Ik schrijf voor een rijke, warme, sympathieke stem. Daar heb je er niet veel van. Amanda heeft zo’n stem.’

Het cabaret lijkt echter een verdwijnende kunstvorm, zowel in Europa als in Zuid-Afrika. Aucamp mist de tijd toen alle artiesten nog met echte muzikanten optraden. Tegenwoordig werken ze steeds vaker met ‘ingeblikte muziek’, met orkestbanden. Ook grote stadionconcerten staan ver af van het ware cabaret, dat ‘klein’ is, maar ‘levend en meelevend’. ‘Maar je kunt een traditie niet langer kan voortzetten als het klimaat er niet meer naar is’, zucht hij. ‘Iemand zou in deze tijd een cabaret over Zuma moeten maken. Maar alleen Pieter-Dirk Uys zal zich daaraan wagen.  Maar hy is ook nie meer vandag se kind nie…

Ondanks zijn hoge leeftijd – hij wordt volgend jaar 80 – is Aucamp nog altijd actief. Hij schrijft nog steeds brieven en gedichten en regelmatig verschijnt er een essay van zijn hand op Litnet. Tegen de tijd in. Tegen het verval. ‘Ik wil liever bezwijken terwijl ik bezig ben om een stapel drukproeven te corrigeren dan dat ik rechtop zit, wachtend op de dood.’

 

Ingrid Glorie

 

Dit interview verscheen eerder in Maandblad Zuid-Afrika van juli/augustus 2013.