Zoekveld

Vriendschap die zich blijft ontwikkelen

De Vrije Universiteit en Zuid-Afrika

 

De Vrije Universiteit in Amsterdam heeft al 135 jaar banden met Zuid-Afrika. Lang waren die beperkt tot Afrikaner mede-gereformeerden, totdat de universiteit zich in de jaren zestig radicaal heroriënteerde. Tegenwoordig werkt de VU samen met een breed scala aan Zuid-Afrikaanse universiteiten.

 

door Bas Kromhout

 

Abraham KuyperDe belangstelling van de Vrije Universiteit voor Zuid-Afrika gaat terug tot de oprichter zelf. Abraham Kuyper (1837-1920) wilde dat zijn VU het wetenschappelijke centrum werd van de hele calvinistische wereld. Hoewel buiten Europa zijn interesse vooral uitging naar de geestverwanten in Noord-Amerika, had hij ook grote waardering voor de broeders in de Nederduitse Gereformeerde Kerk en vooral de Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika (‘Doppers’).

Ook de ‘stamverwantschap’ tussen Nederlanders en Afrikaners speelde mee. In 1880, hetzelfde jaar dat in Amsterdam de VU haar deuren opende, kwamen de Boeren in Transvaal in opstand tegen het Britse gezag. Kuyper volgde de gebeurtenissen op de voet. Hij werd lid van het Amsterdamsche Transvaalsche Comité en stond in 1880 mede aan de wieg van de NZAV.

Kuypers belangrijkste contact in Zuid-Afrika was S.J. du Toit, dominee in Paarl en medeoprichter van het Genootskap van Regte Afrikaners, dat ijverde voor de erkenning van het Afrikaans. Bij zijn streven naar een zelfstandige Afrikaner natie putte Du Toit inspiratie uit Kuypers denkbeelden over ‘soevereiniteit in eigen kring’. Mede hierom is Kuyper door nogal wat historici aangewezen als geestelijk vader van het Afrikaner nationalisme en apartheid.

Maar deze toeschrijving berust op een misverstand, zo betoogt Gerrit Schutte in De Vrije Universiteit en Zuid-Afrika, 1880-2005. Kuyper gebruikte het begrip soevereiniteit niet in nationale of staatkundige zin, maar ter verdediging van de geestelijke vrijheid van het gereformeerde volksdeel. De grootste bedreiging was volgens Kuypers de staat. Du Toit daarentegen, die van 1882-1889 de post van superintendent van Onderwijs van de Zuid-Afrikaanse Republiek bekleedde, streefde naar christelijk-nationaal staatsonderwijs.

De twee mannen ontmoetten elkaar in 1884, toen Du Toit samen met Paul Kruger en N.J. Smit Nederland bezocht. Het stak Kuyper dat Du Toit besprekingen voerde met de rijksuniversiteit in Leiden, een exponent van het verfoeide staatsonderwijs. De relatie bekoelde. Kuyper zou Zuid-Afrika nooit bezoeken.

 

Eerste proefschrift in het Afrikaans

In de eerste twintig jaar van haar bestaan studeerde aan de, toen nog piepkleine, Vrije Universiteit maar één Zuid-Afrikaan: S.J. van der Spuy uit Paarl. Pas na de Boerenoorlog vonden meer studenten de weg naar verschillende Nederlandse universiteiten. Het speciaal voor hen opgerichte Studiefonds gaf tussen 1900 en 1940 beurzen aan ruim vierhonderd Zuid-Afrikanen, van wie zich tachtig inschreven aan de VU. Het waren vooral theologen in spe, afkomstig van de Stellenbossche Kweekschool en de Theologische School in Potchefstroom. De meeste studenten gingen naar de Utrechtse universiteit en dan vooral haar medische faculteit. Overigens deed de latere minister-president D.F. Malan zijn theologiestudie eveneens in Utrecht. Zijn begeleider was J.J.P. Valeton, een fel tegenstander van Kuyper.

De Zuid-Afrikaanse studenten die naar Amsterdam kwamen, hadden vaak moeite om te aarden. Wat vooral tegenviel, was het gure klimaat. ‘Die hele, lange dag het hier die wind gewaai […] Maar in die Boland is dit nou Oktobermaand!’ schreef W.E.G. Louw, die naam zou maken als dichter en letterkundige. Sommigen klaagden over het saaie, platte landschap en de stijve Nederlandse omgangs- vormen. Daar stond tegenover dat Afrikaners in Nederland op sympathie konden rekenen. Ook de schoonheid en het stadsleven van Amsterdam maakten veel goed. Wie met landgenoten wilde optrekken, werd lid van studentenvereniging SASVIA.

Een handicap voor veel gaststudenten was de taalbarrière, die hoger was dan zij hadden verwacht. Daarbij kwam dat het Afrikaans in Nederland een lage status had. Kuyper beschouwde het als ‘eene platte spreektaal’ en ‘een soort van bedorven Nederlands’. Toen W.P. Steenkamp in 1910 wilde promoveren op een in het Afrikaans geschreven proefschrift, leverde dit moeilijkheden op. Volgens de regels van de universiteit moest de oppositie in dezelfde taal worden gevoerd. Om het probleem te omzeilen stelde men dat het Afrikaans ‘een nuance van het Nederlands’ was, zodat de hooggeleerde opponenten hun vragen toch in hun eigen moedertaal konden stellen.

 

Zuid-Afrikaanse studenten in Nederland

 

Kuyper en het apartheidsdenken

De Zuid-Afrikanen die aan de VU theologie kwamen studeren, waren hoofdzakelijk lid van de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Binnen de NGK werd in de jaren twintig het idee van afzonderlijke ontwikkeling van blank en zwart geboren. Zendings- theologen wilden een tegenwicht bieden aan de evangelisatie onder zwarten door de Engelse kerken, die volgens hen wel moest uitdraaien op assimilatie en daarmee de ondergang van de blanke beschaving. Als alternatief pleitten zij ervoor de eigen identiteit van zwarte Zuid-Afrikanen te versterken en autonome zwarte kerken te stichten. Zij noemden dit ‘apartheid’.

Voor de gereformeerden van de VU was het Zuid-Afrikaanse ‘naturellenvraagstuk’ iets vreemds. Het stond niet op hun agenda en een duidelijk standpunt hierover was van hun zijde niet te verwachten. Zij vertrouwden erop dat de Zuid-Afrikanen zelf het beste wisten hoe de verhoudingen tussen de rassen moesten worden geregeld.

Dit gold ook voor Abraham Kuypers zoon, de hoogleraar kerkgeschiedenis H.H. Kuyper. Hij bracht in 1924 als eerste VU-professor een bezoek aan Zuid-Afrika. In zijn Reisherinneringen probeerde hij ‘een beteren kijk te geven op de moeilijkheden, waarvoor de Boeren in Zuid-Afrika staan’. Zij hadden te maken met ‘Kaffers, Hottentotten en Bosjesmannen, die wilden zijn en op de trap der menschheid zeer laag staan. Met abstracte begrippen van “mensenrechten” komt men bij zulk een probleem niet verder.’ Gelijke politieke rechten toestaan zou ‘dwaasheid’ zijn. Ook had Kuyper junior begrip gekregen voor de kerkelijke apartheid, die volgens hem ‘niet in strijd [was] met de eenheid aller Christenen’.

Sommige Zuid-Afrikaanse theologen legitimeerden apartheid met een rechtstreeks beroep op de oude Kuyper. H.G. Stoker, die in Potchefstroom wijsbegeerte doceerde, verwees in Koers in die krisis (1935) naar het kuyperiaanse gedachte- goed. God zelf had afzonderlijke sociale kringen geschapen – familie, kerk, school, staat – die elk onder Zijn directe gezag stonden. Hetzelfde gold voor de volken. Het zou daarom tegen Gods scheppingsplan indruisen als de onderlinge scheidslijnen werden overschreden. Dezelfde redenatie volgde F.G. Badenhorst in zijn proefschrift Die Rassevraagstuk, veral betreffende Suid-Afrika, in die lig van die Gereformeerde etiek, waarmee hij op 12 mei 1939 aan de VU promoveerde.

Wortelde het apartheidsdenken in het gedachtegoed van Kuyper? Schutte bestrijdt dit. Volgens hem maakten Stoker en Badenhorst zich schuldig aan selectief winkelen. Ook was de invloed van de kuyperianen in Zuid-Afrika niet groot. De Theologische School in Potchefstroom stond qua opvattingen dicht bij de VU, maar leverde slechts predikanten aan de kleine Dopper-kerk. De NGK betrok haar theologen uit Stellenbosch, waar Kuypers ideeën geen gemeengoed waren. Bovendien zijn de echte oorzaken van apartheid complex Herman Bavincken nauw verbonden met de Zuid-Afrikaanse geschiedenis.

Dat een kuyperiaan een andere opvatting kon hebben dan de propagandisten van rassen- scheiding, bewees VU-coryfee en filosoof-dogmaticus Herman Bavinck (1854-1921). In zijn memoires beschrijft de Zuid-Afrikaanse oud-student William Nicol een gesprek met Bavinck over segregatie. Bavinck wees die af. Hij vroeg Nicol, met welk recht christenen zich afzonderden van niet-blanken. Maar Bavinck was een apart geval. De meeste VU-professoren uitten geen bezwaar tegen rassenscheiding.

 

Tweede Wereldoorlog

De eerste keer dat de relatie tussen de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse gereformeerden op de proef werd gesteld, was de steen des aanstoots dan ook niet het apartheidsdenken, maar het standpunt dat veel Afrikaners hadden ingenomen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De regering van Jan Smuts koos in september 1939 de kant van Groot-Brittannië tegen Hitler-Duitsland. Maar de Afrikaner nationalisten hadden zo’n afkeer van de Britten, dat zij zich neutraal verklaarden. Sommigen hoopten stiekem dat Duitsland de oorlog zou winnen, zodat de weg werd vrijgemaakt voor een republiek.

Het feit dat Nederland door de Duitsers was bezet, had geen invloed op deze houding. De nationalistische politicus N.J. van der Merwe, zelf een oud-student van de VU, betuigde in de Volksraad wel zijn ‘diepe meegevoel met Holland’, maar hij zag hierin geen reden het neutrale standpunt te heroverwegen. Zowel H.G. Stoker als Wikus du Plessis, beiden gezichtsbepalende theologen in Potchefstroom, waren lid van de Ossewabrandwag, een paramilitaire massaorganisatie met nationaalsocialistische neigingen.

Geen wonder dat hun collega’s van de VU na de oorlog veel vragen hadden. Zij lieten zich echter geruststellen door de Zuid-Afrikaanse gesprekspartners, die hun pro-Duitse houding ontkenden of bagatelliseerden. Men pakte de samenwerking weer op. In 1951 kreeg de Theologische School in Potchefstroom de status van universiteit. Aan de rector, J.C. van Rooy, verleende de VU een eredoctoraat. Zeven jaar later, in 1958, sloten de VU en de Potchefstroomse Universiteit een overeen- komst, die onder meer de uitwisseling van docenten vergemakkelijkte.

 

Verwijdering

Weinigen zagen dat er grote veranderingen op komst waren. In 1948 had de Nasionale Party de verkiezingen gewonnen op het ticket van apartheid. De weg die Pretoria insloeg, stond haaks op de ontwikkelingen in het buitenland, waar kolonialisme en rassenscheiding steeds meer in diskrediet raakten. Minister-president Verwoerd probeerde het thuislandenbeleid te verkopen als een vorm van dekolonisatie, maar hij kon buiten zijn eigen kiezers weinigen overtuigen. Het bloedbad van Sharpeville op 12 maart 1960 zorgde voor een storm van internationaal protest.

Ook in Nederland nam de kritiek toe, zelfs (voorzichtig) uit gereformeerde hoek. Oud-verzetsman en ARP-politicus Sieuwert Bruins Slot verklaarde in de Tweede Kamer dat ‘in de apartheidspolitiek elementen [zitten] die zich met het internationale recht en met de eisen van het Evangelie niet verdragen’. Zijn partijgenoot, senator en VU-hoogleraar W.F. de Gaay Fortman, wilde in 1964 met een parlementaire delegatie naar Zuid-Afrika reizen om de regering daar tot inkeer te brengen. Omdat de delegatie ook ANC-voorzitter Luthuli wilde ontmoeten, was zij niet welkom.

Zoals alle Nederlandse universiteiten maakte de VU in de jaren zestig een ingrijpende transitie door. Het aantal studenten verdrievoudigde. Een omvangrijke, welvarende en kritische naoorlogse generatie vulde de collegebanken en zorgde ervoor dat de VU haar traditionele stempel verloor. De vrienden in Zuid-Afrika zagen het met ontsteltenis aan. De synode van de NGK keurde af dat in 1965 Martin Luther King een eredoctoraat ontving. Overigens ging de uitwisseling met Potchefstroom gewoon door. Zo kwam in 1962-1963 H.G. Stoker naar de VU, ook al betreurden sommige senaatsleden dat hij was uitgenodigd.

 

Christiaan Frederik Beyers NaudéNieuwe banden

De verwijdering tussen Amsterdam en Potchefstroom zette in de jaren zeventig door. De VU ging in zee met andere Zuid-Afrikaanse partners, te beginnen met apartheidscriticus C.F. Beyers Naudé en diens Christelijk Instituut. Beyers Naudé kreeg op 20 oktober 1972 een eredoctoraat. Hij adviseerde de VU relaties aan te knopen met zwarte universiteiten in Zuid-Afrika. Dat deed zij inderdaad, bijvoorbeeld met de University of the North (nu University of Limpopo).

Binnen de VU kwam de overeenkomst met Potchefstroom onder vuur te liggen. Hoogleraar missiologie Johannes Verkuyl, die de drijvende kracht was achter antiapartheidsorganisatie Kairos, pleitte voor opzeggen. Hij kreeg steun van studenten en de universiteitsraad. Er kwamen protestvergaderingen, moties werden aangenomen en ook de gereformeerde bladen stonden er vol van. Toen studenten in 1973 het hoofdgebouw bezetten, eisten zij behalve inspraak ook het verbreken van de contacten met Zuid-Afrika.

De universiteitsraad besloot de PUK een brief te sturen om te zien of zij nog wel door een deur konden. Het schrijven van de brief werd opgedragen aan neerlandicus H.J. Brinkman, die binnen het College van Bestuur de portefeuille Buitenland hield. Brinkman had Zuid-Afrika in de jaren vijftig meermaals bezocht en stond bekend als iemand die het contact met de Afrikaners wilde behouden. Maar in zijn brief voor Potchefstroom stelde hij dat aan de VU, ondanks de meningsverschillen, één ding voor iedereen als een paal boven water stond: ‘De apartheid wordt […] volstrekt afgewezen.’ Waren de Zuid-Afrikaanse partners bereid om ‘principieel het systeem en de ideologie der apartheid onderwerp van discussie te maken’, zodat de Amsterdammers weer het vertrouwen konden krijgen ‘dat U en wij dezelfde visie hebben op de van ons allen door het evangelie gevraagde dienst aan de naaste’?

Het antwoord van de Potchefstroomse rector, Hendrik Bingle, stelde teleur. Hij was wel bereid tot gesprek, maar alleen omdat ‘daar inderdaad veel newels opgeklaar sal moet word’. Volgens Bingle moest het beeld dat de VU van apartheid had worden bijgesteld, niet het standpunt van de PU. Toen Amsterdam nogmaals per brief om opheldering vroeg, reageerde de Potchefstroomse rector korzelig: ‘Wil u slegs ’n skriftelike erkenning van my hê dat my Universiteit op die Suid-Afrikaanse regeringsbeleid staan oor hierdie aangelegenheid? As dit so is, dan het u dit hiermee.’ Het hoge woord was eruit. Op 8 oktober 1974 besloot de universiteitsraad met 18 stemmen tegen 13 de overeenkomst met de PU op te zeggen.

Dit betekende niet dat de uitwisseling tussen de VU en Zuid-Afrika totaal stopte. In de jaren zeventig en tachtig bezochten nog 96 Zuid-Afrikaanse studenten de VU. Van hen waren er 34 zwart. In 1978, direct na zijn afstuderen, kwam socioloog Johnny Nchabeleng bij de VU in dienst. Daarentegen werd de voorgenomen benoeming van linguïst R.P. Botha onder druk van protesten ingetrokken.

 

Desmond Tutu-programma

De transitie naar democratie in de jaren negentig zorgde ervoor dat de VU zich weer enthousiast op Zuid-Afrika kon richten. Gastdocenten waren weer welkom en er kwamen samenwerkingsprojecten met diverse universiteiten. Ook richting Potchef- stroom zocht de VU na 1990 voorzichtig toenadering. Een belangrijk moment was de Kuyper-lezing van 1995, die werd gehouden door F.W. de Klerk. De oud-president en kanselier van de PU betuigde ‘ons diepe berou’ over de apartheidspolitiek. Twee jaar later hadden de VU en de Potchefstroomse Universiteit het verleden al zo ver achter zich gelaten, dat zij een nieuw akkoord tekenden.

Maar de dagen van exclusief contact tussen calvinistische broeders behoren inmiddels tot de geschiedenis. Sinds 2003 heeft de VU zogeheten strategische allianties met een groot aantal Zuid-Afrikaanse partners onder de paraplu van SAVUSA: South Africa-Vrije Universiteit Strategic Alliances. Ook was zij enkele jaren de penvoerder van het SKILL-programma, dat Zuid-Afrikaanse studenten de mogelijkheid bood hun masterstudie (deels) bij één van de Nederlandse universiteiten te doen.

 

Desmond Tutu bezoekt de VU

 

Toen aartsbisschop Desmond Tutu in 2007 de VU bezocht, is hem gevraagd zijn naam aan een leerstoel te verbinden. Via deze leerstoel zijn acht hoogleraren aan zes faculteiten benoemd. In het verlengde hiervan is in 2010 het Desmond Tutu-programma van start gegaan: met medefinanciering van  de Zuid-Afrikaanse National Research Foundation krijgen talentvolle Zuid-Afrikaanse masterstudenten een beurs om, begeleid door een hoogleraar van de VU en één in Zuid-Afrika, hun PhD te doen. Het is de bedoeling dat in de komende acht jaar honderd Zuid-Afrikanen zo hun doctorsgraad halen.

Van alle Nederlandse universiteiten is de VU waarschijnlijk het meest betrokken bij Zuid-Afrika. En dat is geen toeval, gezien de 135 jaar dat de universiteit banden heeft met het land. Soms voelden die banden warm, en soms knelden ze. Soms deden ze Zuid-Afrika meer kwaad dan goed. Maar de banden zijn geëvolueerd. Sommige oude zijn verbroken en nieuwe aangeknoopt. Als geheel zijn de relaties tussen de VU en Zuid-Afrika breder en inclusiever geworden – en dit proces gaat nog door. De huidige intensieve samenwerking is zonder de voorgeschiedenis moeilijk voorstelbaar.