Nederlandse vertaler haalt herinneringen op aan André Brink

Oorspronkelijke auteur: 
André Brink
Oorspronkelijke titel: 
Die ambassadeur; Muur van die pes; Noodtoestand; Die eerste lewe van Adamastor; Sandkastele; Inteendeel; Duiwelsvallei; Donkermaan; Anderkant die stilte; Ander lewens; 'n Vurk in die pad
Vertaler: 
Rob van der Veer
Introductie: 

door Rob van der Veer

 

André Brink (29 mei 1935-6 februari 2015) is voor mij de belangrijkste schrijver die ik in mijn lange loopbaan heb vertaald, en dat heeft niet alleen te maken met de grote hoeveelheid romans van hem waaraan ik heb gewerkt of met de literaire kwaliteiten die er in zijn werk schuilen. Toen ik voor het eerst een boek van hem aangeboden kreeg, vertaalde ik uitsluitend uit het Engels. Ik had al wel begrepen dat er ook een Afrikaanse versie van het boek bestond en toen ik vroeg waarom de roman, Die muur van die pes, niet uit het Afrikaans werd vertaald, kreeg ik van de uitgever te horen dat Brink zelf graag wilde dat zijn boeken uit het Engels werden vertaald, zodat er in Europa een soort eensluidende versie zou ontstaan. Verder stelde de uitgever dat er nog niet voldoende goede vertalers vanuit het Afrikaans beschikbaar waren in Nederland. Toch heb ik vanaf het begin de Afrikaanse versie erbij gehaald, al was het alleen maar om bij onduidelijkheden te kunnen nagaan wat Brink precies bedoelde. Op die manier las ik elk woord dat hij had geschreven en vergeleek ik elke zin. Het werd me snel duidelijk dat hij in zijn eigen vertaling naar het Engels, ofwel zijn Engelse versie, af en toe iets moest laten vallen en dat zijn Afrikaans meer sjeuïgheid en humor bezat dan zijn Engels, dat weliswaar vlekkeloos was, maar toch van een zichtbaar formeler register. Toen ik eenmaal wat meer durf had, koos ik steeds vaker voor de Afrikaanse variant, met stil medeweten van Brink zelf. Wat voor mij verder heel belangrijk is geweest, was dat ik telkens weer werd geconfronteerd met de grote verschillen in zinsopbouw tussen het Afrikaans en het Engels, en dát heeft weer doorgewerkt in mijn reguliere vertalingen uit het Engels, omdat ik extra ben gaan beseffen dat je een Nederlandse zin moet opbouwen vanuit een Nederlandse invalshoek en structuur. Zonder het vertalen van Brink zou ik een mindere vertaler zijn geworden.

 

Veelzijdigheid

In Europa is de toon die we van André Brink kennen anders dan de toon die zijn Afrikaanse lezer van hem kent. Er wordt in Europa, met uitzondering van Rusland, alleen vertaald uit werk waarvan Brink zelf een Engelse versie heeft geschreven. En dat zijn uitsluitend romans, geëngageerde romans, boeken met een serieuze ondertoon, boeken waarin nogal wat narigheid en zwarigheid aan de orde komt, waarin hij stelling neemt tegen onrecht. Maar wat de Afrikaanse lezer óók van hem kent en wat wij in Europa altijd hebben moeten missen, is zijn veelzijdigheid als schrijver. Hij schreef bijvoorbeeld toneelstukken, reisverhalen, cursiefjes en jeugdboeken, en hij heeft veel vertaald. Daarnaast waren er de wetenschappelijke publicaties, monografieën over schilders en zelfs het beste boek dat er ooit in het Afrikaans over brandewyn is geschreven. Hij was werkelijk van alle markten thuis. Toen ik hem ernaar vroeg, zei hij dat het eigenlijk nooit bij hem was opgekomen om andersoortig werk aan Europese uitgevers aan te bieden. Hij heeft alleen nooit een detectiveroman of thriller geschreven, bij mijn weten.

 


Ondeugende humor

Een openbaring voor mij waren zijn cursiefjes, korte stukjes over kleine, soms baldadige onderwerpen, over hoe oom Hennie tegen de zin van tant Magriet toch zijn pijpje bleef roken en een borrel kon drinken, alles gesteld in een grappig, gemoedelijk Afrikaans dat je ook tegenkomt in Oom Kootjie Emmer van Witgatworteldraai, een korte, hilarische roman over de tweespalt in een klein dorpje nadat er wc’s met stromend water zijn geïnstalleerd en de boldootkar is afgeschaft. In dat boek wordt een geheel andere kant van zijn schrijverschap belicht, tot kunst verheven meligheid, zou je bijna kunnen zeggen. Ik heb me er erg mee geamuseerd. Deze wat ondeugende vorm van humor zie je ook in de namen van dorpjes die worden genoemd in ’n Droë wit seisoen, zoals Krapmekaar en Kieliemydaar. De poëtische klank van plaatsaanduidingen wordt verder sterk benadrukt in Bidsprinkaan, waar een hele opsomming wordt gegeven wanneer Brink een bepaalde route beschrijft: ‘langs Kwaggapoel en de Rietkuil, door de kale stukken van Vaaldraai en Slangfontein, omhoog naar Pruimkop en Olievenfontein, en niet te vergeten Perdefontein en Knoffelfontein’. Geestig is ook de zelfspot in een van zijn cursiefjes: ‘Ek sal verduidelik, en dit kortliks boonop, al ken die lesers my lankal nie vir ’n kortprater nie.’

 

Boeken met een bijzondere betekenis

Er zijn drie boeken waarvan de vertaling me bijzondere herinneringen heeft opgeleverd. Op de allereerste plaats natuurlijk ’n Vurk in die pad, zijn autobiografie, waarvan de vertaling me in eerste instantie werd ontzegd omdat ik hem niet in de door de uitgeverij gewenste snelheid wenste aan te leveren. Een paar collega’s hebben zich toen voor me ingespannen en bijna honderd vertalers ondertekenden een verklaring waarin ze stelden dat de vertaling alleen aan mij mocht worden gegund. Toen ik al die namen op het scherm van mijn computer zag verschijnen, sprongen me de tranen in de ogen. Brink zelf verklaarde diep ontroerd te zijn geweest door dit manifest. Interessant aan het boek was dat ik kon zien wat hij uit de Engelse versie had weggelaten. De Zuid-Afrikaanse versie was uitgebreider omdat ze soms inging op gebeurtenissen, zaken of personen die voor niet-Afrikaners zo goed als onbekend waren. Hoewel de uitgever het liefst wilde dat ik me hield aan wat er in de Engelse versie stond, heb ik toch het een en ander uit de Afrikaanse versie meegenomen. Op een gegeven moment las ik: ‘Toe, ’n paar dae gelede, bel my suster Marita om te sê dat Elbie se oudste seun, Adri, die vorige nag in hulle huis vermoor is.’ Dat hele relaas ontbrak in de Engelse versie. Ik vond het zo raar om dat weg te laten, het ging immers om familie en was zelfs een reden voor extra publiciteit bij Brinks komst naar Nederland, dat ik het gewoon maar vertaald heb. En vlak voordat ik de vertaling inleverde, kwamen er twee wijzigingen van Brink zelf, inlassingen. Hij wilde toch dat het stuk over zijn neef erin kwam. Bij weer een ander gedeelte ging het net andersom. Terwijl ik uit het Engels een stuk over rugby en de Springboks zat te vertalen, merkte ik dat het stuk volledig ontbrak in het Afrikaans. Ik heb daar toen voorzichtig een mailtje aan gewaagd, en vrijwel per kerende post kwam er een dankbaar mailtje terug. Het was een foutje. Hij is daarna als een razende aan het vertalen geslagen en kon het stuk nog net op tijd invoegen in de Afrikaanse versie, die al in het stadium van de drukproeven verkeerde.

Van Sandkastele herinner ik me dat het me door een bijzonder zware zomer heen heeft geholpen. Het was een zomer waarin mijn vader en moeder langdurig iemand in huis moesten hebben om voor hen te zorgen, en die iemand was ik. Zonder de afleiding die Sandkastele me bood, had ik die zomer nooit heelhuids doorstaan. Zorgen en werken en uitgeput naar bed, maar als ik erop terugkijk, was het toch een mooie taak. En veel later bleek Bidsprinkaan een genot om te vertalen omdat de drie delen van het boek in verschillende registers waren geschreven, van springerig en dansant tot bezadigd en uiteindelijk elegisch en bezonken, en het vertalen daarvan is uiteraard een heel dankbare klus.

 

Laatste ontmoeting

De laatste keer dat ik Brink zag, was tijdens een etentje in een toeristenrestaurantje achter het Spui, speciaal door Brink uitgekozen omdat hij zich erop verheugde weer eens ‘lewer’ te eten. We zaten daar gevieren aan een klein tafeltje, Brink, Karina, een redacteur van Meulenhoff en ik. Meulenhoff zou zijn Ander lewens nog in drie losse bandjes uitgeven, prachtig verzorgd.  Ik vroeg hem met wie hij die dag allemaal had gesproken en hij vertelde over een interview met iemand die zich uitmuntend had voorbereid. Ook hadden we het over het toeval dat we juist in dit goedkope restaurantje Zuid-Afrikaanse wijn konden krijgen, hoewel hij betwijfelde of dat wijn van topkwaliteit zou zijn. Het tentje was er een van het soort dat hij wel vaker opzocht in het buitenland, omdat je daar juist de authentiek volksgerechten kon krijgen die in de betere restaurants van het menu waren verdwenen, en ook deed het denken aan de goedkope eetgelegenheden die hij beschrijft in zijn sterk evocatieve herinneringen aan zijn Parijse tijd. Verder kwamen en allerlei koetjes en kalfjes ter tafel, de kwestie Callas of Netrebko, de schrijvers die we hadden gelezen. Karina suggereerde me een Engelstalige Zuid-Afrikaanse schrijver die inderdaad van hoge klasse bleek. De ‘lewer’ was naar wens gebakken en Brink vertelde dat zijn eigen crème brulée zich kon meten met die van de beste koks. Op een gegeven moment uitte hij lichte kritiek op mijn vertaling van het motto van ’n Vurk in die pad, en ik schoot uit mijn slof en legde hem uit waarom dat juist een góede vertaling was, met een felheid die hem nogal onthutste.

 

… En werd mens

Ik wist dat hij een internationaal gevierde schrijver was, voor sommigen zelfs een idool, maar zo heeft hij zich tegenover mij nooit gedragen. Ik heb hem altijd meegemaakt als mens, een beminnelijke man, een erudiete man die zich liet leiden door zijn nieuwsgierigheid en zijn menselijkheid, iemand die ons heeft laten zien dat er ook een ander soort Afrikaners bestond. Heb ik hem goed gekend? Ja en nee. Als vertaler kun je zeggen: niemand is een held voor zijn knecht, en helden en knechten kunnen nooit met elkaar bevriend zijn. Toch denk ik met veel warmte aan onze ontmoetingen terug. Hij wierp dan de mantel af waarmee wij lezers hem hadden bekleed en werd mens. Bestaat er een betere reden om iemand nooit te vergeten?