Zoekveld

Standbeeld voor de verkeerde held

 

door Rob van der Veer

 

Het dorp Fouriesfontein wordt bezet door een Boerenmacht en de mooie Alice Macalister is verliefd op de knappe Giel Fourie, zo verliefd dat ze stiekem tussen struiken en bomen sluipt om een glimp van hem te kunnen opvangen wanneer hij bij zijn grootouders langskomt. Alice wordt uitgenodigd op zijn verjaarsfeest, het grote dansfestijn op de boerderij Reigersfontein. Kort daarna vertrekt Giel om als rebel mee te vechten aan de zijde van de Boeren.

Charles Kleynhans, ‘Kallie’, is een buitenbeentje in het dorp. Hij wordt gepest en vernederd, maar weet zich op te werken tot klerk van de plaatselijke rechter. Hij is opgegroeid met Adam Balie, een intelligente en ambitieuze jonge kleurling die zich ontpopt als spreekbuis van zijn onderdrukte gemeenschap. Wanneer Adam zich heeft opgeofferd om zijn eigen mensen nieuwe gewelddaden te besparen, moet Kallie tot daden overgaan.

Juffrouw Godby weet dat Adams leven gevaar loopt, maar blijft dubben en aarzelen, maar opeens heeft ze haar hoed opgezet, zonder in de spiegel te kijken, en gaat ze voor zijn leven pleiten. In een huiveringwekkende scène volgt dan de confrontatie tussen de hakkelende oude vrouw en de minzaam glimlachende Boerenleider, de man wiens hand beschikt over leven en dood in het bezette dorp.

 

Met de verschijning van Verliesfontein in het Nederlands is Karel Schoemans drieluik Stemmen nu in zijn geheel toegankelijk geworden voor het Nederlandse lezerspubliek. Hoewel Verliesfontein wordt aangemerkt als eerste deel, verschijnt het toch als laatste, net als destijds de Afrikaanse uitgave. De oorzaak is dat Schoeman bij het schrijven van Verliesfontein naar eigen zeggen vast was komen te zitten en zich aan de impasse heeft ontworsteld door eerst het betrekkelijk eenvoudig opgezette Dit leven te schrijven. Daarna kwam Het uur van de engel en vervolgens dus Verliesfontein. De romans zijn weliswaar los van elkaar te lezen, maar als drieluik versterken en verrijken ze elkaar en vormen ze een monumentaal kunstwerk, met als verbindende elementen, voor mij tenminste, de taal waarin Schoeman schrijft, het geheel eigen, bezwerende en soms naar het Nederlands zwemende Afrikaans, het soort mensen dat hij beschrijft, geen groots en meeslepend levende mensen, maar mensen van alledag die worden opgenomen in de maalstroom van de geschiedenis, en de immense ontroering die hij teweegbrengt. Waar Dit leven een relatief eenvoudig bestaan beschrijft, is Het uur een aaneenschakeling van variaties op een intrigerende thema en bevat Verliesfontein een afgerond verhaal.

 

De aanloop die de verteller in Verliesfontein neemt om bij zijn verhaal aan te komen, biedt een fascinerend inzicht in de manier waarop Schoeman zijn materiaal verzamelt en verwerkt. Langzaam dringt de schrijver het verleden binnen, verkennend en vergarend, zoekend naar aanwijzingen en verbanden, de druppels bloed, de rennende vrouw, de dichtbundel op het muurtje, gegevens die later in het verhaal terugkomen, maar dan belicht vanuit een personage. Uiteindelijk, als hij zich thuis voelt, wetend dat hij zelf geen deel mag hebben aan wat er in Verliesfontein gebeurt, laat hij de stemmen aan het woord.

In het universum van Karel Schoeman gelden andere wetten van tijd en ruimte, maar ook van tempo. Dat heeft te maken met het verhaal dat hij vertelt. Hij vertelt een verhaal dat zich afspeelt in het verleden, toen de mensen anders leefden en dachten, toen de kijk op het leven nog door andere dingen werd bepaald. Tijdens zijn eindeloze speurtochten door archieven – Schoeman heeft decennia lang in bibliotheken gewerkt – heeft hij zich de denk- en leefwijze van negentiende-eeuwers eigen gemaakt. Dat uit zich in de terughoudende, ‘versluierende’ manier van beschrijven. In Het uur wordt bijvoorbeeld nooit uitgesproken dat de schoolmeester op mannen valt, maar het wordt heel subtiel aangegeven; niet voor niets verschijnt hem aan het eind van zijn leven een engel in de gedaante van een jongen; in Verliesfontein komen de moeder en de tante van Giel een paar weken na het feest op bezoek bij Alice thuis om hun spiedende blikken over haar lichaam te laten glijden, een gebeurtenis die zo summier wordt aangestipt dat de betekenis ervan je bijna ontgaat. Schoeman bezondigt zich niet aan expliciete beschrijvingen. Hij wekt het verleden tot leven, maar richt zich daarbij niet op ónze mentaliteit, ónze aanknopingspunten, maar op die van het verleden, waarin over sommige dingen niet werd gesproken. In Stemmen zul je geen twintigste-eeuws aandoende personages tegenkomen.

 

De taal waarin Stemmen geschreven is, sluit daarop aan. Het zijn stemmen die spreken en daarom is de taal van Verliesfontein, net als in de andere twee delen, vaak eerder een gestileerde spreek- of denktaal dan schrijftaal. Zoals in gedachten de zinnen zich aan elkaar kun­nen rijgen, zo doen ze dat ook in Schoemans Stemmen. De lange, aaneengeschakelde zinnen zijn uitdrukking van een zich herinnerend en al nadenkend spreken. Ook karakteristieke, minder gebruikelijke woorden en kleine taalafwijkingen worden gebruikt om een personage een eigen karakter te geven. De Nederlandse vertaling blijft zo dicht mogelijk bij het taaleigen van Schoeman en zijn personages. De lange zinnen zijn om die reden gehandhaafd en de taalafwijkingen komen in Nederlandse equivalenten tot uitdrukking.

Een zin als de onderstaande zou je in drieën kunnen opknippen door een punt te zetten achter ‘kletsverhalen’ en vanaf ‘die ’s morgens’ weer een nieuw zinnetje te beginnen. Dat zou de tekst misschien overzichtelijker maken, maar die mogelijkheid bestaat in het Afrikaans ook. Schoeman biedt zijn tekst echter op een andere manier aan. Het zijn gedachten die hier geformuleerd worden, het geheugen volgt zijn eigen cadans.

Dat is alles wat ik weet, en wat er verder is gebeurd, heb ik alleen maar van tante Marie gehoord, vrou­wenpraatjes en kletsverhalen, ik herinner me niet meer waar ze het allemaal over hadden, de vrouwen en de kleurlingen, de bedienden, die bang waren omdat de Boeren waren ko­men opdagen en omdat het opeens oorlog bij ons was, en die ’s morgens de deur bij elkaar plat liepen om verhalen door te vertellen en elkaar op stang te jagen, over de eerste verkenners in het dorp of de eerste Vrijstaters die waren verschenen.

In weer een andere zin wordt de oude meneer Dalrymple geciteerd, eerst letterlijk en daarna in de semi-indirecte rede, waardoor de vertelling iets prikkelends krijgt; er wordt een element van schoonheid, bezwering toegevoegd. Iedere andere zinsweergave, door bijvoorbeeld een punt achter ‘hoofd’ te zetten, zou het geheel vervlakken.

Het is een vreselijke tijd, verzuchtte hij en schudde zijn hoofd, natuurlijk had hij des­tijds over de Frans-Pruisische oorlog gelezen, maar nooit had hij verwacht zelf zoiets mee te maken.

Wanneer Alice als oude vrouw aan het woord is, wellen de gedachten als vanzelf bij haar op. De onderstaande zin die begint met ‘Het is allemaal voorbij’ zou je in minstens vier zakelijke mededelingen kunnen opknippen, maar dat zou afbreuk doen aan het bijna dwangmatige verdringingsproces waaraan ze zich overgeeft.

Wat heeft het voor zin om daar weer aan te denken en hoezo moet ik dat allemaal vertellen, het beetje dat ik me kan herinneren? Het is allemaal voorbij, en ik denk liever niet aan het verleden terug, ik denk nooit aan dingen die onaangenaam waren, ik heb daar een regel van gemaakt, een vaste regel, alle kiekjes heb ik verbrand, en brieven uit die tijd heb ik ook niet meer, ik heb geen tastbare herinneringen over­gehouden.

Spreektalige elementen als ‘Tijdens de afge­lopen week of twee’ en ‘Hij had me de wal op gesleept’ zijn ook gehandhaafd. In ‘natuurlijk heeft Schalk Adam eigenlijk nooit kunnen velen’ kan het ‘velen’ misschien storen, maar Schoeman had op die plaats ook een wat gangbaarder, moderner woord kunnen kiezen. Dat hij dat niet deed is voor mij een reden om hem na te volgen. Als hij zijn boek honderd jaar geleden had geschreven, zouden er andere vertaaloverwegingen gelden, maar Verliesfontein dateert van 1998: het Afrikaans is dus redelijk recent.

 

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat ik behoor tot de school van vertalers die uitgaan van ‘vertalen wat er staat’. Kort gezegd houdt dat in dat je je richt naar de schrijver, en niet naar de lezer; teksten ‘leesbaarder’ maken dan ze in de brontaal zijn is dus niet aan de orde. Over ‘vertalen wat er staat’ wordt weleens gezegd dat het onmogelijk is; als je een tekst aan meerdere vertalers voorlegt, maakt iedere vertaler er iets anders van en komt hij of zij met zijn of haar eigen interpretatie. Daar kun je tegenover stellen dat de schrijver hoogstwaarschijnlijk maar één ding heeft bedoeld. Voor mij is vertalen het herkennen en weergeven van stijl, waarbij ik gemakshalve register en ritme onder stijl laat vallen. Of dat allemaal dan ook lukt, is een tweede. Zelfs zoiets eenvoudigs als het vaststellen van de betekenis van woordjes kan hoofdbrekens opleveren. Wat is het verschil tussen ‘tronk’ en ‘gevangenis’, waarom zijn ‘veranda-dakke’ gestreept, wat is ‘die ingerygde monogram op een gewelsteen’, is het gangbaar om een grafsteen te omschrijven als ‘deurwrog’, wat is precies het verschil tussen ‘plaasvolk’ en ‘werksvolk’, is het normaal om over ‘verankerende’ haarspelden te spreken of is dat eigen aan Schoeman? Welke woorden in zijn tekst zijn ook voor de Zuid-Afrikaanse lezer afwijkend of gedateerd?

Een ander probleem ontstaat met de cultuurgebonden termen. Als meneer Rigby over Adam zegt dat hij een ‘goeie jong’ is, klinkt dat voor Nederlanders heel vriendelijk, net zoals de woorden ‘die meide’ iets aardigs hebben, maar voor de Afrikaanse lezer klinkt er een wereld van discriminatie doorheen omdat zowel ‘jong’ als ‘meid’ verwijzen naar iemand met een donkere huidskleur en een zeer ondergeschikte positie. En verder houd je nog de historische termen, zoals bijvoorbeeld ‘magistraat’. In het boek wordt de Engelse magistraat na de inval door de Boeren vervangen door een ‘landdros’. Je kunt dat soort woorden laten staan, met een verklaring achterin, of je kunt ze vervangen, in dit geval door het woord ‘rechter’.

 

Met de vertaling van Verliesfontein is mijn werk aan Stemme afgerond. Ook bij de vertaling van dit deel stond ik telkens versteld van wat Schoeman allemaal vermag. Zijn werk is een naar binnen gerichte verkenning van ons mens-zijn, een verkenning die verrijkend is, maar ook vér reikend, geen straatrumoer of galm, maar nagalm, resonantie. De historische kennis die hij heeft opgedaan wordt naadloos in het boek verwerkt. Wat er met Adam Balie gebeurt is bijvoorbeeld ten dele geënt op wat Adam Esau overkwam tijdens de inval van de Boeren in het stadje Calvinia in 1901. Verder staan er stukken in de roman die nopen tot teruglezen, er vallen allerlei lagen, thema’s en verbanden te (her)ontdekken. Het hele drieluik biedt stof voor wel zestig symposia. Ook heb ik me meer dan eens afgevraagd waarom Verliesfontein nog nooit is verfilmd. Er gebeurt zoveel meer in het boek dan dat de inwoners van Fouriesfontein een standbeeld voor de verkeerde held oprichten.

Vertalen is misschien de meest indringende vorm van lezen. Je wordt voortdurend gedwongen om te kijken en nog eens te kijken, je kunt niet verder voordat je precies weet wát er wordt gezegd en hóé het wordt gezegd. En omdat het hele procedé zich zo langzaam voltrekt, eerst lezen, dan vertalen, dan nakijken en nog eens nakijken, slaan alle gegevens, alle vormen van informatie zich op in je hoofd. En daardoor ontstaat er een dubbel inzicht en wat mij betreft bij Schoeman ook een dubbel genot. Schoeman lezen is verslavend, Schoeman vertalen ook, vrees ik. Het was me een eer en een genoegen.

 

Karel Schoeman, Verliesfontein. Vertaling: Rob van der Veer. Kampen: Brevier, 2016, ISBN 9789491583902. Geb. 288 p., € 22,50